Tag archieven: Dagelijks asatru

Asatru in het dagelijks leven

Castlefest 2011 bij de Negen Werelden

Castlefest. Heidense bende, wickerbeest, offers maken, heel veel mooie  mensen zon en regen.

Castlefest is een plek waar je openlijk heidens kunt zijn en waar bij de Heidense Bende een open sfeer heerst tussen de verschillende richtingen die er vertegenwoordigd zijn. Het pad naar ons was dit jaar gelukkig duidelijker dan voorafgaande jaren en het  programma stond ook in het boekje. Ik heb me lang afgevraagd of publiek heidendom een plek heeft op zo'n gelegenheid, tussen LARP en steampunk. Maar hier klopt het. Hier is het heidendom niet voorbehouden aan een klein hoekje. Castlefest zelf staat in het teken van Lammas, de Keltische naam voor het feest van de oogst en in dit Germaans-Keltisch menggebied dat Nederland is, kunnen we ons hier als Negen Werelden prima bij aansluiten. Hier is het passend om een altaar voor Freya en Frey te maken van een hooibaal. Hier is het passend om mensen gelegenheid te geven een offer te maken voor in het wickerbeest. Hier voelt het OK voor mij om in een blot te staan en in volle overtuiging te kunnen bedanken voor de oogst. Het was dan ook een mooi blot. Met vers geoogst graan, met een offerbrood en met heel goede mede. Aswulf de verteller vertelde ons 's middags een verhaal over hoe een man dankzij Freya zijn geliefde kon trouwen, gevolgd door Thor's bruiloft. Verhalen lezen is een ding, maar een goed verhaal krijgt een extra dimensie als het goed verteld wordt.

Na de enorme plensbui op Zaterdagmiddag werd de drumcirkel een opzwepende danscirkel waar de energie rondzong en iedereen meenam die erin durfde stappen. Voor mij voelde ik de energie van Freya en Zij was voor mij ook aanwezig toen we rond het wickerbeest dansten. Het was fijn om daar op die manier meer deel van uit te maken. Alleen duurde het wel erg lang voor het beest de hens in ging en was het daarom op het eind moeilijk de energie vast te houden. Maar toen het brandde was het prachtig. Zondag was de sfeer rustiger. De ontspannen sfeer na een goed feest. Voor ons betekende dat de Praalronde. Een Sumbel om jezelf te laten zien. Om te zeggen 'Dit ben ik, dit kan ik,' zodat het gehoord wordt en je lot versterkt. Onwennig en vreemd vaak, maar voor mij belangrijk om openlijk woorden te gebruiken, want woorden hebben kracht. Aan het eind van de middag toen de hoorn rondging was er ineens ruimte voor verhalen. En behalve Aswulf bleek een van de Belgische Druïden ook een prima verteller te zijn. Rustig kwam de dag tot zijn eind. Restte ons nog het opruimen, het wachten op de auto die voor de ingang in de file stond en uiteindelijk huiswaarts keren. Volgend jaar weer.

Gerry Damen

Open bijeenkomst 13 november 2010

Deze middag begon met de oude goden: een korte bespreking van de bron van ons hedendaagse heidendom, het historische heidendom, en diverse valkuilen die daarbij komen kijken. 

Daarna was het de beurt aan de nieuwe tijden, het hedendaagse heidendom. Dat werd het een levendig gesprek waarbij alle aanwezigen ook hun zegje konden doen, en deden. We sloten de middag af met het heffen van de hoorn, op onze eigen Negen Wereldse wijze.

Wij kijken terug op een zeer geslaagde open bijeenkomst en bedanken alle aanwezigen, leden en niet-leden, voor hun bijdrage aan deze dag. Wij heffen de hoorn op de goden en godinnen, bekend en onbekend, en op de gemeenschap waar wij deel van uit mogen maken!

Waes thu hael!

 

 

Tsja, daar sta je dan…

In het artikel “Geloof in de geneeskunde”, onder Langhuis, heb ik gesteld dat ik geen fatsoenlijk wetenschappelijk bewijs had gevonden van een therapie uit de paranormale geneeskunde dat mij ervan overtuigde dat het werkte. Dit heb ik gesteld na na een grondig vorsen in publicaties van medisch-wetenschappelijke tijdschriften die mij toendertijd ter beschikking stonden.

Nu wil het geval dat ik gisteren op bezoek was bij Wilg, een spiritueel therapeute. Dat wist ik als, maar ik had geen enkele ervaring met wat zij nou deed. Pro forma vermeld ik dat zij geen geneeskundige is of zich zo noemt, maar therapeute. Ik hanteer dezelfde terminologie uit overwegingen van consequentie. Zij probeert mensen, cliënten, te helpen met een mengeling van energiewerk, NLP en sjamanisme. Onder energiewerk verstaat zij het volgende: Er wordt vanuit gegaan dat een mens een fysiek lichaam heeft en ook een energetisch lichaam dat daar om- en doorheen zit. Dat energetische lichaam is dat waar zij in rommelt en knutselt, om het oneerbiedig uit te drukken. NLP, neurolinguïstisch programmeren, is een verzameling psychologische technieken. Als zij sjamanisme gebruikt, werkt zij onder leiding van niet-fysieke helpers zoals krachtdieren en goden.

Wilg vertelde mij hoe zij in haar werk op deze manier mensen op verschillende wijze heeft geholpen – vaak verhielp zij klachten van de hulpvraag en soms verhielp zij klachten die haar niet bekend waren. Maar over haar boeiende verhalen uit haar praktijk gaat dit stuk niet, noch over de manier waarop zij deze cliënten helpt. Nee, dit stukje gaat over iets gênants. Voor mij.

In het genoemde artikel betwijfelde ik dus de werkzaamheid van paranormale geneeskunde omdat ik geen bewijs vond zoals aangetoond in fatsoenlijk wetenschappelijk onderzoek. Ik voel mij nu genoodzaakt mijn conclusie te herroepen, maar – en nu komt het gênante – ik weet niet waarom. Ik heb geen aantoonbaar bewijs. Ik kan het niet beschrijven, niet verklaren, laat staan met “fatsoenlijk uitgevoerd onderzoek” onderbouwen – om mijn eigen woorden maar aan te halen.

Laat ik proberen te beschrijven wat ik wel kan: Tijdens het gesprek stoorde Wilg zich aan een “donker wolkje boven mijn hoofd” en vroeg mij of zij mocht plukken. Als professional kon zij deze aanwezigheid niet verdragen. Inderdaad had ik, ervoor al, een beetje naar, geniepig, onbestemd gevoel in mijn hoofd. Zij begon te plukken boven mijn hoofd. Vanuit mijn positie zag het eruit en voelde het aan alsof zij verwelkte teunisbloemen van een teunisplant verwijderde. Hierna was het of ik, mijn hoofd, opklaarde. Verder ging zij op een afstandje bij mijn buik plukken, in haar woorden om angst weg te halen. Inderdaad zit ik in een periode dat ik nogal wat angst heb voor bepaalde dingen die nu in mijn leven spelen. Het gepluk voelde ik aan mijn hoofd (boven) en bovenbenen (voor).

Na afloop – meteen erna en die dag aanhoudend – voelde ik een stromende tinteling in mijn bovenbenen, een opgeklaard hoofd, een sterker en soms wat oplaaiend gevoel ter hoogte van mijn borstbeen. Verder voelde ik veel helderheid in de linkerhelft van mijn hoofd. Het was alsof ik veel scherper zag met mijn linker oog. Natuurlijk is het niet ‘echt’, niet oogheelkundig meetbaar het geval, het lijkt alleen zo. Nu, na een dag, heb ik nog steeds het idee dan mijn linkeroog achter een enorme ooglap zit die het kijken helderder maakt.

Hiermee heb ik het van mij uit zo precies mogelijk beschreven. In het geheel voel ik mij prettiger dan gisteren en heb ik het idee dat bepaalde gebieden minder verstard zijn. Het gênante vind ik, dat ik heel duidelijk het idee heb dat ik geholpen ben, maar dat ik er niet van begrijp. Het is in ieder geval niet concreet fysiek, lichamelijk en mijn klachten zijn ook niet verholpen, want die had ik niet. Hoe kan ik dan duidelijk maken of overtuigen dat ik hier echt iets aan had? Zoals gezegd heb ik niet het idee dat mijn ervaring lichamelijk was. Maar lichamelijke ervaringen vind ik wel veel overtuigingskracht hebben omdat zij zo tastbaar, zo lekker handig meetbaar (en bewijsbaar!) zijn. En als ik hier niet eens een duidelijk verhaal van kan maken, hoe zou je zoiets dan met geneeskundig wetenschappelijk onderzoek kunnen bewijzen? Ik wil niet beweren dat het per definitie onmogelijk is – ik weiger zoiets te erkennen; ik weet alleen niet hoe. Ik zie en onderken nu het manco van wat ik schreef over ‘paranormale geneeskunde’ in het stuk ‘Geloof in de geneeskunde.’ Bij deze mijn blijk hiervan.

Religieus opvoeden eh…?

Goed, wij hebben dus besloten dat we religieus gaan opvoeden. Maar werkelijk diepe gedachten hierover hebben we nog niet gehad. Wel over het waarom, maar ineens zitten we midden in het hoe. Hoe doe je dat? Hoe geef je mee? Veel van wat wij vinden en voelen is het proces van een langdurige zoektocht. Niet alleen heel persoonlijk maar van een niveau dat eenvoudigweg niet uit te leggen is aan een tweejarige. We waren eerlijk gezegd nog niet verder dan het doen van rituelen maar dochter heeft zelf het heft in handen genomen. Wij hebben een huiskameraltaar met daarop een aantal godenbeeldjes. En waar loopt ze nu regelmatig mee rond? Met ons bronzen beeldje van Frey. We hebben haar dus verteld wie het is. De kleine beeldjes die wat hoger staan zijn inmiddels ook geintroduceerd. Maar Frey blijft favoriet. Kaarsjes aansteken is ook leuk, en ze denkt beter aan de dagelijkse waxinelichtjes voor de goden dan ik.

 Maar voor je het weet zit je dan ineens midden in allerlei gedachten. Want Frey is natuurlijk niet een beeldje op ons altaar, het is een God. En hoe ga ik dat uitleggen? Hoe leg ik uit over aanroepen van krachten, dat een kracht niet echt een beeldje is maar een beeldje wel een fysieke plek voor manifestatie kan zijn? Hoe gaat dat later op school? Voor de meeste mensen zijn onze goden toch vooral verzinsels van de voorouders, wezens waar men vroeger in geloofde en nu niet meer. Hoe dit, hoe dat? Het buitelde, ratelde en draaide. 

 Tot ik mezelf weer onder controle kreeg. Rustig ademhalen, een dag tegelijk. Ze is pas twee. Het komt vanzelf. Toen ik twee was was een Mariabeeld ook gewoon Maria en verder dacht ik niet. Veel  bewust religieuze opvoeding heb ik overigens niet gehad. Met het naar de kerk gaan gebeurde dat vanzelf wel, als een proces van osmose. Maar zal dat hier ook gebeuren? Is er genoeg van een heidens veld om dat proces op gang te brengen? En als dat er is, is het dan los en flexibel genoeg om er zonder kleerscheuren weer uit te groeien mocht ze anders willen? En zo gaan we verder op het altijd weer spannende pad dat opvoeden heet. 

Vraag en Asatru

Vraag en asatru

Iemand stelde mij de vraag: ‘Wat is asatru dan?'. Het was een oprecht geïnteresseerde vraag van iemand die er niets van wist. Het was een vraag die ik graag wilde beantwoorden, omdat asatru bij mijn leven hoort. Ik had echter geen antwoord. Met wat omschrijvingen heb ik geprobeerd toch iets te vertellen, maar het kwam geloof ik niet heel goed over. Niet zo vreemd ook, omdat ik eigenlijk zelf nogal werd overvallen door het feit dat ik het niet wist. Ik ben niet op mijn mondje gevallen, ik kan aardig overweg met woorden, dus dat was het niet. Het was simpelweg dat ik niet wist hoe ik asatru moest ‘samenvatten'.

En dat frustreert me in niet geringe mate, kan ik U zeggen (met een grijns trouwens, want in de frustratie ligt natuurlijk ook een uitdaging!).

Wat U nu leest is een poging tot het antwoord op die uitdaging. Betekent dat dat ik ondertussen precies weet hoe ik asatru moet samenvatten? Nee. Absoluut niet. En ik weet niet zeker of me dat ooit zal lukken en zelfs niet of ik dat uberhaupt wil. Zie het liever als een soort bespiegeling en in elk geval een poging de vraag te beantwoorden die diegene aan mij stelde.

Asatru is…

U kent misschien wel die tekeningetjes van ‘Liefde is…' (… handen vasthouden, … samen onder een paraplu door de regen lopen', dat werk). Misschien is dat wel de vorm om een eerste antwoord op de vraag te geven.

Asatru is… mooi.
Asatru is… eng.
Asatru is… spannend.
Asatru is… uitdagend.
Asatru is… confronterend.

Makkelijk gezegd, op zich, en deze woorden zijn waarschijnlijk van toepassing op iedereen die met religie bezig is. Je zou dus net zo kunnen zeggen ‘Buddhisme is…', of ‘Katholicisme is…'.

Het kan natuurlijk wel mooi dienen als een raamwerk.

Asatru is mooi. Het geeft me vrienden, al heeft het me wat tijd gekost om me dat te realiseren en om dat te accepteren. Goden en godinnen die me kracht geven, die me helpen, die me een schop onder mijn kont geven, die me soms vasthouden.. Wezens om mij heen, die waken over een land of streek, die waken over mijn huis, die muziek maken en dansen en zingen (ik zeg dit terwijl ik naar buiten kijk, naar het wuiven van een boomkruin, naar wat iele sneeuwvlokjes en denk aan het ruisen van bladeren of de geur van lente of vorst). Het geeft me ook een vorm van geborgenheid. Ik ben nooit echt bang geweest voor de dood. Ik hoop dat ook nooit te worden. Het is mijn hoop dat wanneer ik doodga ik waardig word bevonden om een einherjar te worden, een van de krijgers die tijdens Ragnarok aan de zijde van de goden meevecht (en die tot die tijd, vecht, eet en drinkt -geen slecht tijdverdrijf, dacht ik zo!). En mocht dat niet gebeuren, dan ga ik naar Hel (zeker niet te verwarren met het christelijk themapark van dezelfde naam). Degenen in Hel zijn degenen die na Ragnarok de werelden opnieuw mogen bevolken. En voor het zover is, Hel is een plaats van verlokkingen zoals kennis en verhalen en zeker niet in de laatste plaats de gastvrije vrouwe Hella. Waarom vertel ik dit allemaal? Omdat beide ideeën mij aantrekken. Omdat ik het gevoel heb dat ik niet bang hoef te zijn voor de dood, omdat ik toch wel op een goede plek terecht kom. En dat vind ik mooi.

Asatru is ook eng. Het is geen makkelijke religie. Het is geen religie: ‘ik zeg braaf mijn gebedje voor het slapengaan en als ik wakker wordt, is alles anders/beter/opgelost'. Het is een religie waarbij je altijd zelf verantwoordelijk blijft -misschien niet voor alles wat er gebeurt, want de Nornen weven de draden van je wyrd, je lot. Je bent echter wel verantwoordelijk voor de keuzes die je maakt. Ik kan namelijk misschien niet altijd kiezen of er een splitsing op mijn pad komt, maar het blijft wel altijd mijn keus of ik linksaf of rechtsaf ga. En met die keuzes geef ik de Nornen nieuwe draden om in mijn wyrd te weven. Is dat eng? Ja, voor mij wel, want ik weet dat ik niet altijd de juiste/slimste/beste keuzes maak en dat ook die draden dus in mijn wyrd meegeweven kunnen worden.

Asatru is spannend. Deels door het voorgaande, maar niet alleen daarom. Asatru geeft letterlijk werelden om te ontdekken, wezens om te ontmoeten, avonturen om in terecht te komen. Het geeft een kans om te vechten, te vallen, te leren. Het geeft een kans om te voelen en om te vertrouwen. En dat is spannend, want je weet uiteindelijk nooit zeker wat er gaat gebeuren of wat de uitkomst zal zijn.

In het verlengde hiervan: asatru is uitdagend. In de verantwoordelijkheid en in het avontuur zit de uitdaging om daar wat mee te doen. In de hele religie zit de uitdaging om na te denken. Op het gevaar af arrogant te klinken: asatru is geen religie voor domme mensen. En dan bedoel ik niet in de strikte zin van IQ, want waarom zou je alleen gelovig kunnen zijn boven een bepaald IQ? Wat ik bedoel, is dat je wel moet openstaan voor indrukken. Je moet durven accepteren dat er meer is, dat hen die je ontmoet soms misschien andere ideeën hebben en dat je met de een beter zult kunnen opschieten dan de ander.

En ja, asatru is confronterend. Ook dit grijpt weer terug op het voorgaande. Doordat je keuzes in je wyrd geweven kunnen worden, kan het zijn dat je later een draad ziet waarvan je zoiets hebt: ‘had ik dat maar nooit gedaan,' of: ‘had ik toen maar een andere keus gemaakt'. Je ziet jezelf terug in een spiegel die niet flatteert. Het is confronterend omdat uitdagingen confronterend kunnen zijn -je zult niet iedere uitdaging aangaan of aankunnen en dat is soms niet makkelijk.

En dan

Zo… Wauw… Klinkt dit negatief? Nee, voor mij niet. Eng? Ja, absoluut. En toch is er geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om iets anders dan asatruer te zijn. Ik ben altijd al religieus geweest, maar bij asatru voel ik me thuis. Het maakt die ‘klik' waarvan je weet ‘dit is het'. Het is ingebed in mijn leven, het is deel van mijn leven en ondanks het feit dat het niet altijd makkelijk is, kan ik me eigenlijk geen leven zonder asatru en zonder al die rare en lieve en gekke goden en godinnen en andere wezens voorstellen.

Ik begon al met ‘asatru is mooi'. Ik denk dat dat dan toch de kern voor mij is. Want goed en slecht, reuzen en goden, vreugde en valkuilen, het is wel mijn leven.

Tot slot nog één klein dingetje. Iemand heeft gezegd (danwel, zou gezegd hebben): ‘er zijn zoveel vormen van asatru als er asatruers zijn.' Ik heb die kreet in mijn hart gesloten. Het betekent namelijk dat ik altijd mijn geloof heb, maar het betekent ook (hier komt de disclaimer ) dat dit slechts mijn verhaal is en dat wat voor mij geldt en werkt, niet voor een ander hoeft te gelden.

Stilleward

Geloof in de geneeskunde

Ode

Ik geloof in de Geneeskunde. Ik geloof nadrukkelijk in de noodzaak en het nut van geneeskunde, en ik geloof in de manier waarop wij hier gebruikelijkerwijs omgaan met de Geneeskunde. Dat wil zeggen: ik geloof dat zij in staat is bewezen te worden, als zij haar werk doet. Ik wil namelijk bewijs en als ik dat heb gekregen, geloof ik in de Geneeskunde. Ik heb een innig vererend, hoogachtend, veeleisend en kritisch geloof.

Historisch perspectief

Wij hebben al te maken met ziektes sinds wij 500.000 jaar geleden zo langzamerhand begonnen te ontstaan.1 In de 10.000 jaar dat wij Europa bevolken, hebben wij ons daar ongetwijfeld tegen proberen te weren, met (genees)kunde danwel met (genees)geloof. Inderdaad is al uit de Europese steentijd bewijs van deze kunde, in de vorm van medische schedeldoorboringen (trepanaties).1 Maar ook vinden wij van de oudste tijden bewijs van het geneesgeloof; de Merseburgerspreuken (zie ook Merseburger Toverspreuken door Aswulf, dat later zal verschijnen onder Yggdrasils Wortels op deze website) zouden fracturen en bloedingen verhelpen.2 De vervlechting van geneeskunde met –geloof was ook erg intens bij de oude Egyptenaren, de Mesopotamiërs, de precolumbiaanse Mexicanen en de Inca’s,3 en in Europa tot in het grootste gedeelte van de Middeleeuwen.4

Pas vanaf de Renaissance begint er wat te veranderen als onder invloed van het Humanisme de ratio opkomt en zelf(standig) nadenken belangrijker wordt.5 Ik zie dit als een emancipatie van het verstand, dat ook zichtbaar is in de afsplitsingen in geloof; de Rooms Katholieke kerk verliest haar alleenrecht op de Waarheid. Ook de Geneeskunde en de wetenschap komen (langzaam) onder de doctrine van de kerk uit en gaan hun eigen weg. In Nederland wordt in 1575 de Leidse universiteit gesticht als antwoord op de katholieke stempel op waarheid(vinden) en wetenschap6 en op de algemenere drang tot onafhankelijkheid.6

De wetenschap onderbouwt zichzelf niet meer louter met theorieën, maar gaat zelf op zoek naar bewijs. Vesalius bijvoorbeeld gooide zijn kont tegen de krib door tegen de heersende middeleeuwse theorieën in te gaan en in de 16e eeuw zelf te tekenen wat hij echt zag in het menselijk lichaam.5 Tegenwoordig komt het misschien wat bombastisch over om iets zo vanzelfsprekends op deze manier te beschrijven, maar toen betekende zien en tekenen wat men zag, en niet wat men diende te zien, een revolte.5 Die man was dus niet populair. Nu, daarentegen, wordt hij gezien als de grondlegger van de anatomie, de ontleedkunde, en als één van de belangrijkste personen in de medische wetenschap.5 Zijn anatomische atlassen en de prenten daaruit zijn goud waard. Tot in de 16e eeuw waren de passieve observatie van anatomie en pathologie (ziekteleer) de steunberen van de geneeskunde als wetenschap, in de 17e eeuw werd men ook nieuwsgierig naar de processen van ziekte en gezondheid. In de zoektocht naar biologisch en natuurkundig bewijs ging men actief experimenteren en ontstond de fysiologie, de functieleer.7

Behalve deze nihilistische bevrediging van kennisdrift heeft de Geneeskunde echter ook een maatschappelijke taak: het gezonder maken van mensen. Tot de 18e eeuw fundeerde de geneeskunde zich hiertoe geheel op subjectieve waarneming.8 Voor het genezen van de patiënt (misschien nog meer dan de ziekte?) stond het verhaal van die ene persoon centraal.8 Heel mooi holistisch, maar niet te controleren en evenmin leidend tot vooruitgang van de Geneeskunde. Als aan het eind van de 18e eeuw de Verlichting in volle glorie schijnt,9 wordt het belangrijker voor de arts objectief te werk te gaan.8 Van de Geneeskunde en therapie wordt steeds meer verlangd dat zij te bewijzen is, controleerbaar en verklaarbaar.8 Objectieve observatie door de geneesheer moet naast het verhaal van de patiënt worden gelegd: heeft dat verhaal een anatomisch substraat?10 Om ook te verklaren wat bij de lijder gezien wordt, worden begin 19e eeuw fysiologische experimenten belangrijk voor het begrip van ziekte en gezondheid.10,11 Overigens wordt deze zucht naar kennis en naar meten prachtig beschreven in een roman over 2 beroemde duitse wetenschappers uit deze periode: de ontdekkingsreiziger Von Humboldt en de wiskundige Gauss.12

Gedurende het leeuwendeel van deze geschiedenis is de Geneeskunde gericht op de enkele fortuinlijke patiënt (met fortuin), maar halverwege de 19e eeuw verschuift de aandacht naar de gehele bevolking en doet de statistiek haar intrede.13 Vanaf nu kan worden nagekeken of de Geneeskunde en haar behandelingen ook effect hebben op de gezondheid van grotere groepen mensen en, liefst, van de gehele bevolking. Geneeskunde democratiseert langzamerhand: iedereen krijgt recht op gezondheid en de zorg voor gezondheid wordt een collectieve zaak. Wat cynischer kun je ook stellen dat duidelijk wordt dat het voor de maatschappij van belang is dat zo veel mogelijk mensen zo gezond mogelijk zijn, en dat het aan de samenleving is daarvoor te zorgen, dat wil zeggen te regelen en te betalen. Hierdoor worden de eisen, die aan de werkzaamheid van geneeskundige behandelingen worden gesteld, strenger. Er wordt bewijs geëist dat deze echt en gunstig werken, voordat ze gebruikt mogen worden en voordat de samenleving daar de kosten voor draagt. Vanaf de zeventiger jaren van de 20ste eeuw worden nieuwe geneesmiddelen pas geaccepteerd nadat de werkzaamheid is bewezen met gedegen statistisch patiëntenonderzoek in zogenaamde randomized controlled clinical trials.14 Eindelijk worden ook (reguliere) behandelingen onderworpen aan regels der wetenschapskunst voordat zij zomaar mogen roepen dat zij werken.

Een alternatief

Deze eisen en deze ontwikkelingen beperken de Geneeskunde natuurlijk ook. Misschien is het als reactie op die beperkingen dat er stromingen zijn ontstaan die op een andere manier mensen willen behandelen aan de ziekte. Het belangrijkste gemeenschappelijke kenmerk van deze stromingen is dat zij ‘anders’ zijn dan de reguliere, wetenschappelijk georiënteerde, geneeskunde. Daarom worden deze stromingen ook wel ‘alternatieve geneeskunde’ genoemd.

Al aan het einde van de Verlichting15 ontstond een alternatief voor de toen gevestigde geneeskunde, één die zich subjectiever, holistischer en meer op het geloof van de patiënt (en van de behandelaar) richtte. De homeopathie die S. Hahnemann in circa 1800 uitvond, was met name begin 19e eeuw populair in Duitsland en Frankrijk, en heeft nog steeds veel aanhangers.15

Maar van alternatieve geneeskunde als stroming van belang naast de reguliere is nog lang geen sprake. Zij kwam pas in de jaren zeventig van de 20ste eeuw echt in opkomst in Nederland en buitenland, met de acupunctuur als voortrekker.16 Deze laatste wordt snel populair en andere stromingen volgen in haar kielzog,16 waardoor vanaf ongeveer 1980 de alternatieve geneeskunde een belangrijke factor in de maatschappij is.17,18

Ook uit laag-bij-de-grondse overwegingen is de alternatieve geneeskunde een speler om rekening mee te houden in het veld van de zorg voor de geneeskunde: namelijk de grote hoeveelheid mensen dat het gebruikt en al het geld dat er in omloop is. Meer dan 20%18 of zelfs 20-50%19 van de Europese bevolking maakt er gebruik van. Wegens haar populariteit spendeerde het Amerikaanse National Institute for Health 40 miljoen dollar per jaar aan onderzoek naar de werkzaamheid van alternatieve geneeswijzen19, 20 (gegevens van 1997). Ondanks deze uitgaven riep het vooraanstaande geneeskundige tijdschrift JAMA in datzelfde jaar op meer onderzoeken in te sturen opdat er bewijs van werkzaamheid zou komen.19

Er is dus meer dan de (westerse) reguliere geneeskunde en het is mijns inziens heel interessant en zelfs nuttig om te kijken of er iets bij zit wat een bijdrage kan leveren aan de wetenschappelijk georiënteerde orde. Uit weliswaar persoonlijke, subjectieve, maar vaak herhaalde ervaringen heb ik het idee opgevat dat plantaardige middelen wel degelijk een heilzaam, of in ieder geval een duidelijk, effect kunnen hebben. Dit op basis van middelen21 als alcohol, koffie en tabak. Gelukkig sta ik hierin niet alleen.22 Hiervan zijn de werkzaamheid en de mechanismen bekend en bewezen. Hoe zit het dan met de grotere groep van alternatieve geneeswijzen: kruidengeneeskunde, acupunctuur, homeopathie, paranormale geneeskunde en antroposofie?23 Werken zij? I: Hoe dan? II: Welk biologisch mechanisme zit er achter? III: Worden wij er beter van? Voor elke vraag ga ik de stromingen van alternatieve geneeskunde langs.

 

I. Hoe zeggen de alternatieve geneeskundige stromingen te werken?

Ik vergelijk deze vraag met een fysiologische vraag die voor de reguliere geneeskunde bijvoorbeeld in een lab kan worden beantwoord. In plaats van de wetenschappelijk-geneeskundige verklaring ben ik nu echter benieuwd naar de verklarende theorieën van de respectievelijke alternatieve stromingen. Dus ging ik op zoek dus naar de theorieën waar zij zichzelf op baseren.

A. Kruidengeneeskunde

Over het gebruik van kruiden, natuurlijke stoffen en mineralen valt een enorme hoeveelheid informatie te vinden over hoe deze toe te passen en waarvoor, maar veelal zonder verklaring van het mechanisme.24,25 Alhoewel al die verschillende kruiden volgens de gebruikte bronnen zeer sterk kunnen overlappen in eigenschappen, effecten en indicatie, heb ik geen verklaring gezien van deze overlap. Zo lees ik dat bijna alle kruiden goed zijn tegen (of voor) stemming, pijn en micro-oganismen.24,25 Virussen worden hierbij op één hoop gegooid met bacteriën en zelfs kleine beestjes, terwijl naar mijn weten het onderscheid tussen virussen en de andere letterlijk een levensgroot is. Virussen leven namelijk per definitie niet, in tegenstelling tot de anderen – dit heeft gevolgen voor de middelen waarmee men ze kan aanpakken

Tegen mijn verwachting in groeit mijn argwaan over het gebrek aan logica en plausibiliteit wanneer bijvoorbeeld het Lexicon van Uyldert wèl de diepte in gaat door mechanismen te beschrijven met Middeleeuwse theorieën (waarvan de basis vaak tot de oude Griek Galen terugreikt) die al sinds de Renaissance verlaten zijn.5,24 Een wel wetenschappelijk boek dat ik wil noemen uit enthousiasme om haar uitvoerigheid, gedegenheid en uiterlijk is overigens het Compendium van De Cleene en Lejeune.26 Dit boek belicht planten en bomen in deze streken biologisch, historisch en cultureel-antropologisch.26 Jammer genoeg niet geneeskundig, maar toch wil ik het zeker aanraden aan geïnteresseerden in deze materie. Tot mijn teleurstelling moet ik concluderen dat ik van de plantengeneeskunde, waarvan ik intuïtief hoge verwachtingen koesterde, geen beschrijvingen van mij geloofwaardige ondergronden heb gevonden. Door al het kaf kon ik het (potentiële) koren niet vinden.

B. Acupunctuur

De acupunctuur komt wèl met eigen mechanismen en verklaringen hoe zij werkt. Het komt er grofweg op neer dat de acupunctuur gebruik maakt van energiestromen door het menselijke lichaam (‘chi’), van meridianen waar deze langs lopen en van specifieke punten op het lichaamsoppervlak waar deze mee corresponderen.23,27 Ziekte betekent verstoring in de energiestromen, die de arts door middel van naalden steken en door gebruik van zijn eigen chi kan wegnemen.27,28

C. Homeopathie

Homeopathie is de populairste en bekendste alternatieve stroming.29 Het verklarende mechanisme luidt: similia similibus curentur, ofwel het gelijke (eigenlijk is het meervoud) moge door het gelijke worden genezen.27 Het gelijke houdt dat in wat dezelfde symptomen te weeg brengt.27 Dit ‘gelijke’, dit geneesmiddel, wordt vervolgens verdund met een speciale mengtechniek waarbij de eigenschappen van de ene stof versterkt worden overgebracht op het oplosmiddel.27 Hoe vaker verdund, hoe sterker de werking van het preparaat.27 Hierdoor is het mogelijk dat men bij een zeer sterk werkend middel van bij voorbeeld D10 (= 10 maal 10 op 1 verdund) nog geen molecule van het oorspronkelijke middel hoeft binnen te krijgen. Een heel groot voordeel van homeopathische geneesmiddelen is, is dat het geen bijwerking (lees: geen te sterke en daardoor giftige werking) heeft.30

D. Paranormale geneeskunde

Deze groep is heel ruim en heeft geen enkelvoudig hard theoretisch gemeenschappelijk uitgangspunt.27,29 Denk voor voorbeelden aan zaken als handopleggen, bidden, Jomanda, maar misschien ook wel muziek en werken met verbeelding. Er bestaan spiritistische, spiritualitische, christelijke stromingen,27,29 en misschien ook shamanistische.31 Voor onderliggend mechanisme wordt wel verwezen naar één of andere, of meerdere, niet-tastbare eenheid.27,29 Ik denk dan aan iets of iemand die betrekkelijk zelfstandig werkt, ofwel een actor, een andere dan de therapeut. Als dat waar is, zou ik graag eens lezen wat deze actor dan eigenlijk doet. Wat is de werking, de actio?

E. Antroposofie

De antroposofische geneeskunde is in 1920 ontstaan29 uit een levensbeschouwing die Steiner rond 1900 heeft gesticht.27 Omdat het om een levensbeschouwing gaat en de antroposofische geneeskunde reguliere is met een antroposofisch sausje, laat ik deze rusten.32 Uit het boek van Verbrugh, een voormalig antroposofisch arts, maak ik op dat deze stroming de wetenschap van de reguliere volgt.32

 

II. Waardoor werken de alternatieve geneeswijzen?

Nu ben ik op zoek naar een biologisch, fysiologisch, pathologisch of gewoon logisch substraat, die ik kan aansluiten op de bestaande medische kennis en wat kan vertellen waarom het werkt. Deze paragraaf moet dienen als een brug van de theorieën van de afzonderlijke alternatieve stromingen naar het bewijs dat ze werken als geneesmiddel.

A Kruidengeneeskunde

Er zijn zo veel verschillende beschreven en bewezen werkingsmechanismen van therapieën die uit de natuur komen dat ik slechts voorbeelden kan noemen. Talloze natuurlijke middelen worden met veel succes gebruikt en eventueel nagemaakt:

  • Morfine is het werkzame stofje dat via activatie van m-receptoren verantwoordelijk is voor de verdovende werking van Papaver somniferum, de opiumplant. 33,34
  • De grote pupillen die de Atropa belladonna (nachtschade) de egyptische vrouwen gaf kwamen doordat het stofje atropine de muscarinereceptoren tegenwerken. 33,34
  • Digoxine is al eeuwen een hartversterkend medicijn dat het cellulaire calcium extra laat verhogen, dit komt uit de vingerhoedskruid (Digitalis lanata & purpurea). 33,34
  • Aspirine uit de wilgenbast remt het enzym cyclo-oxygenase en vermindert zo pijn en bloedklontering (en –stolling).33,34

 

B. Acupunctuur

Alhoewel de acupunctuur sinds circa 1975 erg populair is, kunnen beoefenaars hiervan nog steeds geen bevredigende verklaring vinden van waarom het in het lichaam werkt.27 Zelfs na goed en vriendelijk zoeken vond Verbrugh de uitleg zeer onbevredigend.27 Het blijf wat hangen in dat het niet te snappen is voor mensen die de chinese taal niet machtig zijn en “dat hebben wij zo geleerd”.27 Aangezien ik geen chinees kan en geen acupunctuur heb geleerd, kan ik hier niet verder op in gaan.

C. Homeopathie

Het idee dat de kwaliteiten van de ene stof worden overgedragen op een andere stof (bijvoorbeeld water) dat op zichzelf geen werking heeft, en dat dit water vervolgens datgene is dat voor de genezing zorgt,27 sluit absoluut niet aan bij de huidige farmacologische kennis. Doordat ik er niet in slaag de homeopathische theorie te koppelen aan de huidige wetenschappelijke kennis, blijft dit onderdeel kort. Verder valt niet te achterhalen waarom de ene keer een D3 (3 maal 10 op één verdund) wordt toegepast en de andere keer een D30 middel voor dezelfde kwaal.27

D. Paranormale geneeskunde

Zie hierboven. Ik heb noch de actio, noch het mechanisme achter of de verklaring van de actio ooit gelezen of gehoord. Ik zou dat graag een keer tegen komen.

 

 

III. Werkt alternatieve geneeskunde?

Het bewijs, ofwel: worden wij er beter van? Dat is de hamvraag. Het voorgaande is slechts hobbyisme naast deze vraag met zoveel praktische waarde. Natuurlijk kan ik deze grote, gewichtige kwestie niet zelf beantwoorden. Maar ik kan wel zoeken en het bewijs dat ik tegen kom laten zien. Zoals boven al beschreven, is er een grote hoeveelheid onderzoeksmateriaal naar alternatieve geneeswijzen, al laat de kwaliteit daarvan dikwijls te wensen over.19,32

A. Kruidengeneeskunde

Over het algemeen valt te stellen dat ondanks de grote sommen geld die er tegenaan worden gegooid, er weinig gedegen onderzoeken naar kruidengeneeskunde zijn.35,36 De positieve resultaten die er zijn, komen uit de talrijke onderzoeken met ondermaatse methodiek. Dit maakt de uitkomst ongeloofwaardig.35 Verder moet ik tot mijn spijt een middel ontmaskeren waarvan ik altijd heb gedacht dat het een voorbeeld was van de werkzaamheid van kruidengeneeskunde: Kamille helpt niet tegen verkoudheid of luchtweginfecties.37

B. Acupunctuur

Dit is het meeste onderzochte alternatieve behandelingsgroep.27 Ook hiervan voldoet het merendeel van de onderzoeken niet aan de vereisten van geloofwaardig geneeskundig onderzoek.27,38

Toch vond ik een goed, groot onderzoek dat op de korte termijn positief bericht over acupunctuur van een redelijk objectiveerbare en goed/nauw omschreven aandoening: ontsteking van het kniegewricht.28 De chinese behandelwijze gaat ervan uit dat acupunctuur werkt door gebruik te maken van de juiste acupunctuurpunten en chi. Er was een groep die werd behandeld met naalden door de juiste acupunctuurpunten en de chi, en deze werd vergeleken met een groep die werd behandeld met naalden maar niet via de punten en de chi, dus een behandeling die volgens de chinese behandelwijze onwerkzaam zouden moeten zijn, en een wachtlijstgroep die niet behandeld werd. Op de korte termijn, 8 weken, vertoonden de echt behandelde patiënten meer verlichting van de gewrichtsontsteking dan beide controlegroepen, na een half en één jaar was dit verschil opgeheven. Op de lange termijn waren de wachtlijstgroepen er het slechtst af, hetgeen betekent dat de aandacht (aan de tijdrovende sessies) tenminste ergens goed voor was. Wat dit gedegen onderzoek vooral bewijst, is dat “iets” doen beter is dan niets doen.28 Enige vraag die mij beklijft, is hoe goed de onderzochte behandeling is vergeleken met de reguliere behandeling. Iemand met een gewrichtsverlies wil namelijk niet zomaar geholpen worden, maar het liefst het beste worden geholpen.

C. Homeopathie

Over de homeopathie kan ik kort en duidelijk zijn: Het werkt niet.39 150 Jaar onderzoek, vanaf 1846, naar homeopathie heeft haar werkzaamheid niet kunnen bewijzen.40 Recenter werden alle 110 fatsoenlijk uitgevoerde onderzoeken41 naar homeopathische geneesmiddelen vergeleken met 110 vergelijkbare onderzoeken naar reguliere therapie.42 Ook hieruit werd geconcludeerd dat homeopathie, over alle velden van de geneeskunde, even goed werkte als een placebo, een nepmiddel.42

D. Paranormale geneeskunde

Ondanks eerdere bedenkingen wegens ‘onderbouwing’ heb ik nu een heuglijke tijding over paranormale geneeskunde: Er is een onderzoek naar de werkzaamheid van deze verricht.43 Hier komt het.

Mijn snoepje betreft een net onderzoek volgens de regels der kunst van het wetenschappelijk-geneeskundig onderzoek en dan ook nog met harde, cardiovasculaire, eindpunten. Zie onderstaand schema voor de onderzoeksopzet.43

189 patiënten

+

MIT

185 patiënten

+

MIT

 

+

Gebed

 

Gebed

182 patiënten

MIT

192 patiënten

MIT

 

+

Gebed

 

Gebed

+ = met; – = zonder. MIT = muziek, verbeelding, aanraking; gebed = wordt voor gebeden achter de patiënt om.

De onderzoeksgroep bestond uit met een ingreep aan het hart, in dit geval een PTCA of een catheterisatie. Als eindpunt van de studie gold een nieuw groot hartprobleem, dood of heropname in het ziekenhuis binnen 6 maanden, als alternatief eindpunt gold hetzelfde maar dan tussen 6 en 12 maanden. De onderzoekers hebben 16 verschillende vergelijkingen laten zien. Van deze 16 had alleen MIT toepassen effect op het ontmoeten van een eindpunt: als MIT werd gebruikt, was de kans kleiner dat iemand een nieuw hartprobleem kreeg, nogmaals werd opgenomen of stierf.43 Het enige manco aan de studie is is dat de onderzoekers geen rekening hebben gehouden met het feit dat als je vaker test, je alleen al door het meewerken van het toeval een grotere kans hebt iets te vinden. Als er veelvuldig wordt getest, voert men een zogenaamde sensibiliteitsanalyse uit om te testen of de uitslag als echt of als toeval kan worden beschouwd. Nu de onderzoekers dit hebben nagelaten, kunnen wij dit niet zeggen. Maar verder heb ik genoten van dit onderzoek, moge vele volgen. Voor de scherpslijpers, nog een manco aan het gebed testen: de invloed van Wodan, Skadi of Gerd is evenmin getest.

 

Ten slotte

Na deze beschrijvingen zijn nog een paar dingen blijven liggen. Waarom boeit mij dit? Wat is de reden van dit stuk? De reden is tweeërlei: a. politiek en b. mijn wereldbeeld.

a. Ik eis dat de alternatieve geneeskunde haar werkzaamheid bewijst, en als het kan haar werking. Reden hiervoor is dat therapieën van de reguliere geneeskunde vaak worden vergoed, mits zij bewijst dat zij beter (en goedkoper)44 werkt dan bestaande geneesmiddelen. Met andere woorden: de reguliere geneeskunde wordt door ons allemaal betaalt onder de strikte voorwaarde dat elke nieuwe behandeling haar werkzaamheid (en liefst haar werking) bewijst met gedegen, betrouwbaar en herhaald/herhaalbaar onderzoek.

De alternatieve geneeskunde wil dezelfde rechten: zij wil ook worden vergoed, wil ook serieus worden genomen, etc. Laat zij zichzelf dan ook serieus nemen. Wat mij betreft betekent dat, dat daar dan ook dezelfde plichten tegenover staan. Naar mijn gevoel heeft zij vaak moeite (of geen zin?) daaraan te voldoen.

Ik ben dus niet tegen alternatieve geneeskunde. Ik vind het interessant een ander geluid te horen en een tegenstem vind ik wel schattig. Maar ik neem haar pas (even) serieus (als de reguliere) als zij aan de dingen voldoet die van andere, reguliere, behandelingen worden geëist. Gelijke monniken, gelijke kappen.

b. Bestaan, verklaarbaarheid, bewijs: wat zou het toch prachtig zijn als alles uit te testen, te meten en te weten is. Maar ik denk niet dat dat erin zit.

 

Bronnen

1 Ackerknecht EH. A short history of medicine. Revised edition, The Johns Hopkins University Press, Londen VK, 1982. Chapter 1.

2 Ackerknecht, Chapter 2.

3 Ackerknecht, Chapter 3.

4 Ackerknecht, Chapter 8.

5 Ackerknecht, Chapter 9.

6 Hendriksen J. Tegen de tirannie en de verdrukking. Een geschiedenis van de Leidse universiteit en haar studenten. Leids Universitair Fonds in samenwerking de Leidse Universiteit, Leiden, 1995.

7 Ackerknecht, Chapter 10.

8 Wiersma T. Twee eeuwen zoeken naar medische bewijsvoering. De gespannen verhouding tussen experimentele fysiologie en klinische epidemiologie. Uitgeverij Boon / Belvédère, Amsterdam, Overveen, 1999. Hoofdstuk 1.

9 Ackerknecht, Chapter 11.

10 Wiersma, Hoofdstuk 2.

11 Wiersma, Hoofdstuk 3.

12 Kehlmann D, Het meten van de wereld. Uitgeverij Querido, Amsterdam, 2007.

13 Wiersma, Hoofdstuk 7.

14 Wiersma, Hoofdstuk 10.

15 Ackerknecht, Hoofdsuk 11.

16 Verbrugh HS, Kips M. Al te naïeve geneeskunde? Materiaal voor de vorming van een oordeel over alternatieve geneeswijzen. Uitgeverij Klement, Kampen, 2004. Inleiding en Hoofdstuk 1.1.

17 Wiersma, Hoofdstuk 12.

18 Nilsson M, Trehn G, Asplund K. Use of complementary and alternative medicine remedies in Sweden. A population-based longitudinal study within the northern Sweden MONICA Project. Journal of Internal Medicine 2001:250;225-233.

19  Fontanarosa PB, Lundberg GD. Complementary, alternative, unconventional, and integrative medicine – Call for papers for the annual coordinated theme issues of the AMA journals. Journal of the American Medical Association 1997:278;2111-2112.

20 Gegevens van 1997, van later kon ik niet vinden.

21 Voorheen geneesmiddelen (tempo doeloe / goede, oude tijd)!

22 Graham-Smith DG, Aronson JK. Oxford textbook of clinical pharmacology and drug therapy. Second edition. Oxford University Press, VK, 1992. Chapter 34.

23 Indeling van  alternatieve geneeswijzen overgenomen uit Verbrugh, onder andere in hoofdstuk 2.2.

24 Uyldert M. Lexicon der geneeskruiden. Vraagbaak voor zieken en gezonden. 15e. Druk. De Driehoek, Amsterdam, 1992.

25 Shealy CN. Encyclopedie van de natuurlijke geneesmiddelen. Nederlandse editie: Könemann, Verlaggesellschaft, Keulen, Duitsland, 1999.

26 Cleene M de, Lejeune MC. Compendium van rituele planten in Europa: botanisch, cultureel, gebruik. Derde druk. Mens & Cultuur Uitgevers, Gent, België, 2003.

27 Verbrugh, Hoofdstuk 4.1.

28 Witt c, Brinkhaus B, Jena S, et al. Acupuncture in patients with osteoarthritis of the knee: a randomized trial. Lancet 2005:366;136-143.

29 Verbrugh, Hoofdstuk 2.2.

30 Dit is niet geheel waar: de giftige werking van water laat zich al merken na het innemen van meer dan 20 liter per dag. Als het middel is opgelost in alcohol (houdend water), is zelfs nog eerder sprake van bijwerkingen. Vóór mensen enthousiast worden: mij is niets bekend van een homeopathische middelen met mede als medium.

31 Hiervan wordt een suggestie gewekt door: Fries J. Seidways. Shaking, swaying and serpent mysteries. Eerste editie. Mandrake of Oxford, Oxford, VK, 1996.

32 Verbrugh

33 Graham-Smit, Chapter 15.

34 Neal MJ. Medical pharmacology at a glance. Tweede editie. Blackwell Science, Oxford, VK, 1992.

35 Goldman P. Herbal medicines today and the roots of modern pharmacology. Annals of Internal Medicine 2001:135;594-600.

36 Sampson W. Studying herbal remedies. New England Journal of Medicine 2005:353;337-339.

37 Turner RB, Bauer R, Woelkart K, et al. An evaluation of Echinacea angustofolia in experimental Rhinovirus infections. New England Journal of Medicine 2005:353;341-348.

38 Moore A, Mc Quay. Acupuncture: not just needles? Lancet 2005:366;100-101.

39 The end of homoeopathy. Lancet 2005:366;360.

40 Vandenbrouck JP. Homoeopathy and “the growth of truth”. Lancet 2005:366;691-692.

41 Even voor de duidelijkheid: dit was dus een fractie van het totaal aantal onderzoeken naar homeopathie.

42 Shang A, Huwiler-Müntener K, Nartey L, et al. Are the clinical effects of homoeopathy placebo-effects? Comparative study of placebo-controlled trials of homoeopathy and allopathy. Lancet 2005:366;726-732.

43 Krucoff M, Crater SW, Gallup D, et al. Music, imagery, touch and prayer as adjuncts to interventional cardiac care: the Monitoring and Actualisation of Noctic Trainings (MANTRA) II randomized study. Lancet 2005:366;211-217.

44 Dit is de regel van de politiek, niet van mij.

 

 

Etje, 2005,

tweede editie 2008

 

Geweten

Geweten is weten.

Geweten is duidelijk, geweten is simpel. Geweten is helderheid. Geweten verlicht, geweten geeft kracht. Geweten is doen wat te doen staat, zonder dat angst of andere bijzaken daarvan weerhouden. Dat maakt geweten eenvoudig, snel en efficiënt. Hierdoor is geweten primair en wezenlijk; goed te begrijpen en voor iedereen toegankelijk. Bij mijn weten is geweten een basisbehoefte die ieder in huis heeft.

Geweten is meer dan wroeging. Wroeging verzwakt. Wroeging is in feite geweten dat zich heeft laten verzieken. Geweten ligt niet in de weg, het is datgene dat de weg wijst. Als geweten in de weg lijkt te liggen, zal ofwel niet het echte geweten zijn, ofwel niet het juiste pad. Gelukkig weet het ware geweten waar men heen moet.

Geweten is onze grote vriend: het is geweldig precies te weten wat te doen of we zouden moeten doen. De rest volgt vanzelf.

Geweten is hulp. Hulp bij de uitvoering van onze ideeën, bij de verwerkelijking van onze moraal. Daardoor is geweten zowel verlichtend als aardend. Vaak laat geweten ons anderen helpen, uiterlijk altruïstisch. Maar omdat wij hierbij onze eigen normen volgen, dient het vooral onszelf.

Geweten is de kern, de stam waaruit onze denkbeelden groeien en de basis voor belangrijke beslissingen.

Wij moeten hierom niet bang zijn moraalridders te worden bevonden. Te vaak worden concessies gedaan om maar niet als Prinzipienreiter te boek te staan. Dat is zonde; door ons geweten weg te drukken, drukken wij ook onszelf weg. Daarvoor zijn wij te waardevol.

Laten wij het respect voor ons geweten en daarmee onze eigenwaarde, ons richtingsgevoel en onze bron van kracht in ere herstellen.

Heil Tyr.

 

                                                                                                                                                            Etje, 2004

De Dingvrede

 © Aswulf, 1998

De Germanen hebben altijd een slechte PR gehad. In de tijd van de Romeinen werden ze beschreven als barbaren. Later, in de negende en tiende eeuw, zaaiden de Vikingen (die ook tot de Germanen behoorden) terreur langs de kusten van Europa. Hun naam is er niet beter op geworden in de twintigste eeuw: slechte Hollywoodfilms hebben alleen maar het stereotyp van de rovende, plunderende Viking bevestigd. Sinds de dagen van Hitler en zijn Derde Rijk worden de Germanen vaak geassocieerd met de nazifantasie van de blonde, zuivere Arische krijger. En nog heden ten dage misbruiken extreem-rechtse groeperingen onze voorouderlijke geschiedenis en mythologie voor hun lage doeleinden.

Dat de Germanen woest en strijdlustig waren valt niet te ontkennen. De grote waarde die de Germaanse volkeren aan recht hechtten is echter minder bekend. Op vaste tijden van het jaar, vaak in het voorjaar, werd een grote bijeenkomst van alle vrije mannen gehouden. Tijdens deze bijeenkomst, het ding (ON: þing), werd recht gesproken, werden conflicten opgelost en nieuwe wetten aangenomen. Maar het ding was niet alleen een rechtbank. Ook belangrijke beslissingen voor de stam, aangaande oorlog voeren, vrede of verdragen sluiten, werden tijdens het ding genomen.

Voor de Germanen waren recht en geloof nauw met elkaar verbonden. Het ding vond veelal plaats op dezelfde tijden als de grote cultusfeesten; de hele bevolking was dan immers bij elkaar. De dingplaats werd gezegend door de priester, die ook de straffen en boetes oplegde. In het midden van de dingplaats werd een heilig symbool geplaatst, oorspronkelijk misschien een speer, later een beeld van één van de goden. De beschermgod van het ding was Tīwaz, ook bekend onder de Oudnoorse naam Tyr. De dingplaats was een heilige plaats, een vredesoord waar de dingvrede (ON: þinghelgi) heerste. Het dragen van wapens was daar verboden. Deze dingvrede gold voor de gehele duur van het ding, niet alleen op de dingplaats zelf, maar ook daar buiten. Het was een onverstoorbare vrede tussen al diegenen die aanwezig waren.

In Nederland speelde het ding ook een belangrijke rol. Twee gedenkstenen, opgericht door Twentse soldaten die bij de cuneus Frisiorum (een romeinse hulptroep) hoorden, zijn in Noord-Engeland gevonden. Deze stenen dateren uit de Romeinse Tijd (ca. 222-235 na Chr.) en zijn gewijd aan Mars Thingsus. Deze Mars Thingsus, letterlijk ‘Mars van het ding’, is ongetwijfeld de Germaanse Tīwaz. Dit toont aan dat hij ook in Nederland vereerd werd en wel als god van het ding – niet alleen als god van de oorlog dat een ander aspect is van deze god.
Ook in latere tijden vinden we het ding terug. Drenthe was tot het begin van de negentiende eeuw verdeeld in zes dingspelen (enkelvoud: dingspil). Dingspelen waren administratieve indelingen, enigszins vergelijkbaar met de huidige gemeentes, die voornamelijk de rechtspraak organiseerden. In ieder dingspil werd drie keer per jaar de goorspraak gehouden, een soort rondtrekkend gerecht. Dit was waarschijnlijk een overblijfsel van het Germaanse ding. In een aantal plaatsen in Nederland werd recht gesproken onder gerechtsbomen. Misschien vervingen deze bomen de heilige symbolen van de dingplaats, of misschien symboliseerden zij de Irminzuil, ook geassocieerd met Tīwaz. En laten wij de namen van onze weekdagen niet vergeten. Dinsdag betekent namelijk niets anders dan ‘dag van het ding’ oftewel de dag die voor het ding was bestemd. Dezelfde dag draagt in de andere Germaanse talen namen die verbonden zijn met Tīwaz (Tuesday ‘Tīw’s day’ in het Engels, Tirsdag ‘Tyrs dag’ in het Noors).

Maar wat betekent dit alles voor heidenen in de hedendaagse samenleving? Recht wordt tegenwoordig door de rechtbank gesproken en politieke beslissingen worden onder andere in de gemeenteraad of de Tweede Kamer genomen. Het ding zoals de Germanen het kenden bestaat niet meer. Maar wij kunnen ervan leren en bepaalde aspecten ervan in onze omgang met anderen toepassen.

In Nederland zijn er nog niet zo veel mensen die het geloof van onze voorouders volgen, maar in sommige landen is asatru meer verspreid en bestaan er verschillende groeperingen die het ding tegenwoordig nieuw leven inblazen. In ons land is dit nog niet het geval, en het organiseren van een ding zal voorlopig op zich laten wachten. Maar er zullen evenementen georganiseerd worden waar asatruers en andere heidenen bij elkaar komen, en voor dit soort evenementen, alhoewel er geen sprake is van een ding, willen wij de regels van de dingvrede weer in ere herstellen .

Wat houdt dit in? De plaats waar de bijeenkomst gehouden wordt is een vredesoord, waar geen strijd mag plaatsvinden. Natuurlijk dragen wij geen wapens meer, maar er kan gestreden worden op andere manieren. Beledigingen en agressief gedrag, bijvoorbeeld, of racistische en discriminerende opmerkingen hebben in een vredesoord geen plaats. Mensen die geen respect voor anderen tonen worden beschouwd als verbrekers van de dingvrede en zullen dan ook verwijderd kunnen worden.

Asatru is een volwassen religie, die zeer zeker zijn plaats in deze eeuw heeft. Door onder andere de dingvrede in ere te herstellen en te respecteren, laten wij zien dat asatru niet een religie voor nostalgische zogenaamde ‘krijgers’ is, maar een geloof voor de moderne mens die eerbaar met anderen wil omgaan.

Bronnen

  • Altgermanische Religionsgeschichte – J. de Vries
    Walter de Gruyter & Co., Berlin 1959
  • Germania – Tacitus (vertaling: J. W. Meijer)
    Ambo, Baarn 1992
  • Termen van toverij – W. de Blécourt
    Sun, Nijmegen 1990
  • Heidens Nederland – J. Schuyf
    Matrijs, Utrecht 1995
  • The Viking achievement – P. G. Foote, D. M. Wilson
    Book Club Associates, London 1974 

Kerstmis

Onze dochter is nu tweeeneenhalf. Gingen de afgelopen kerstmissen nog aan haar voorbij, dit jaar is dat anders. Haar wereld is groter, haar begrip is groter. Vooral op tv is het kerst voor en kerst na. Dat begint al bij de Teletubbies, gevolgd door het Zandkasteel en de Tweenies. Neem daarbij de kerstversieringen in de winkels en het is duidelijk. Om kerstmis kunnen we dit jaar niet meer heen. Op de eerste plaats betekent dat natuurlijk een boom in huis. Maar dan? Wat dan?

 Als we christelijk of ietsistisch waren was het eenvoudig. Kerstal, mooi verhaaltje erbij, eventueel naar de kerk en op de een of andere manier druppelt er wel wat betekenis door. Maar wij zijn heidens. Christus is onze god niet, en zijn geboorte vinden we niet echt belangrijk. Kerst is dat in deze maatschappij echter wel. En om dat te laten verworden tot een feest van eten en drinken was iets dat ons allebei tegenstaat. Niet vieren vinden we ook geen optie, Wij willen dat deze dagen inhoud hebben. Een inhoud waar wij iets mee kunnen. Dus met kerst vieren we de winterzonnewende. We gaan op kerstmorgen een ritueel doen, en daarna is het feest. En we zullen ook zeker het woord Joel gebruiken.

Maar waarom niet gewoon met Midwinter? Verschillende redenen. Midwinter zelf is lastig praktisch te plannenvanwege werk en later school. De meeste mensen die een ritueel doen met midwinter doen het dus vaak rond Midwinter in een weekend. Kerst vieren ze echter wel, want de meeste heidenen hebben geen heidense familie. Wij zijn echter een heidens gezin. En hebben dus de mogelijkheid om deze twee toch speciale dagen in plaats van een halfheidense inhoud – want ze zijn natuurlijk niet voor niets rond Midwinter – een compleet heidense inhoud te geven. Kerstfeest: de terugkomst van het licht.


 

Op zoek naar een heidense ethiek…

©Aswulf, 2001

"Een wereldbeschouwing bestaat uit twee componenten. Aan de ene kant is er een intellectueel aspect: hoe zit het heelal in elkaar? Hoe is het menselijk leven ontstaan? Wat is de relatie van mens tot dier en tot de omringende natuur? Hoe verhoudt de mens zich tot de gemeenschap waarin hij leeft? Aan de andere kant is er een existentiële component: welke levenshouding moeten we kiezen? Welke moraal moeten we aanvaarden? Welke maatschappijvorm staan we voor? Hoe zin te geven aan ons leven?"

Dit citaat uit het ‘Atheïstisch Manifest' van Herman Philipse zette mij aan het denken. Als heiden1 heb ik een duidelijk beeld van het intellectuele aspect, ook al is dit beeld soms dubbel. Ik zal de wetenschappelijke verklaringen niet tegenspreken, maar mijn wereldvisie wordt mede gekleurd door de rijke symboliek van onze mythologie. Uiteraard denk ik ook antwoord te hebben op de existentiële vragen. Maar is er echt sprake van een heidense moraal? Bestaat er zoiets als een heidense ethiek? Of heb ik slechts de prevalerende christelijke normen en waarden overgenomen?

ETHIEK EN MORAAL

Om te beginnen wil ik duidelijkheid in de terminologie verschaffen. Normen en waarden zijn de algemeen geaccepteerde ideeën en gedragingen die binnen een categorie van personen heersen en waarnaar zij zich kunnen of moeten richten. De term moraal wordt gebruikt om de voorstellingen van goed en kwaad van een groep of een individu aan te duiden. Ethiek, daarentegen, is een tak van de wijsbegeerte die handelt over de zedelijke begrippen en gedragingen. De ethiek bestudeert dus die moraal, en stelt er vragen over, zoals wat de betekenis is van goed en kwaad. Verder probeert de ethiek naar richtlijnen of oriëntatiepunten te zoeken voor het beantwoorden van de vraag ‘hoe leef ik goed?'. Want om deze vraag draait het uiteindelijk.

GOED EN KWAAD

In de meest simpele vorm gaat ethiek over het beantwoorden van de vraag: wat is goed en wat is kwaad? De meeste mensen hebben een natuurlijke besef hiervan: het is kwaad te moorden en te stelen, het is goed je buurman te helpen. Goed en kwaad zijn ook cultureel gebonden; in Amerika is het goed zoveel mogelijk geld te verdienen, voor de aboriginals is het goed de liederen van hun voorouders te zingen. Maar wat betekent goed en kwaad eigenlijk voor mij als hedendaagse heiden?

Laten we eerst onderzoeken wat deze begrippen voor onze verre voorouders betekenden. Volgens de Oxford English Dictionary, stamt goed van het Proto-Germaans *god-, "samenbrengen, zich verenigen". The American Heritage Dictionary geeft als etymologie het Proto-Germaans *gódanaz, afgeleid van het Proto-Indo-Europees *ghedh-, "zich verenigen, deelnemen, passen". De oorspronkelijke betekenis van het woord zou dan misschien kunnen luiden: "hetgeen wat passend is voor de gemeenschap." Het woord kwaad kunnen wij echter niet terugvinden in de oude Germaanse talen. Dit woord stamt af van het Oud Hoogduits quât, met als mogelijke betekenis "vuil", en heeft misschien een verband met het Litouws gěda "schande, oneer" volgens J. de Vries. Het huidige woord euvel, nauw verwant met het engelse evil, stamt van het Proto-Germaans *ubilaz, "overschrijden van gepaste grenzen", zelf afgeleid van het Proto-Indo-Europees *upo-, "van onderen op". Dit beknopte etymologische overzicht maakt mijn inziens duidelijk dat de begrippen goed en kwaad nauw samenhingen met de Germaanse sociale structuur, en met name met de grens tussen de gemeenschap, de inanngarðs (letterlijk "binnen de omheining") en de wildernis daarbuiten, de útangarðs ("buiten de omheining")2 . In zekere zin kunnen we zeggen dat goed zijn bron in de gemeenschap vindt, datgene wat de gemeenschap versterkt en orde geeft. Kwaad daarentegen is hetgeen wat de samenleving bedreigt, de wanorde die er buiten heerst.

WET EN RECHT

Nauw verbonden met het concept goed zijn de concepten recht en wet. Recht wordt vaak gebruikt als synoniem voor goed, evenals wet en recht bijna synoniem van elkaar zijn. Etymologisch wordt wet afgeleid van het gotisch witan ‘zien, waarnemen', en onder de oorspronkelijke betekenissen van recht vinden wij ‘in een rechte lijn bewegen', maar ook ‘richten, besturen'. De wet is dan hetgeen wat ‘waargenomen', of beter, in acht genomen moet worden om het goed van de gemeenschap te waarborgen. Recht vormt de richtlijn, de ‘rechte lijn' die het individu moet volgen om de wet in acht te nemen. Of met andere woorden, de wet vormt de omheining die het goed (of de inanngarðs) van de wildernis scheidt, en recht is de maatstaf die het mogelijk maakt individuele handelingen te beoordelen.3

Net als in onze huidige samenleving, speelden wet en rechtspraak een belangrijke rol voor onze voorouders. Dit wordt telkens bevestigd, zowel in de vroege schriftelijke bronnen waaronder de Germania van Tacitus, als in de veel later opgetekende IJslandse saga's. Opmerkelijk genoeg bestond voor de Germaanse volkeren geen onderscheid tussen wetten en gebruiken. Sterker nog, het oud-Friese woord ewa betekende niet alleen ‘wet' en ‘gebruik', maar ook ‘religie'. De scheiding tussen het alledaagse en het heilige4 was voor hen ondenkbaar, ze waren onlosmakelijk met elkaar verweven. Het in acht nemen van de wetten garandeerde niet alleen de sociale harmonie, maar ook de kosmische orde.

WETTEN, OERLAGEN, EN HET LOT

Centraal in de wereldvisie van onze voorouders staat de wereldboom Yggdrasil, een boom zo groot dat de negen werelden van goden, mensen en andere wezens zich erin bevinden. Onder een van de wortels van deze boom ligt de bron van Urdr, en met het water uit deze bron zorgen de Nornen voor de boom. Dit water is zo heilig dat de takken en bladeren niet afsterven en verrotten, maar groen blijven.

Maar wie zijn deze Nornen, en wat is hun functie? Het zijn de Germaanse lotsgodinnen, de drie godinnen Urdr, Verdande en Skuld. Hun namen worden vaak vertaald als ‘Verleden', ‘Heden', en ‘Toekomst', maar een meer geschikte vertaling luidt ‘Wat is geworden', ‘Wat in wording is', en ‘Wat zal/moet worden'. Buiten hun functie Yggdrasil te verzorgen, wordt er van hen gezegd dat zij ‘leven kiezen voor de mensenzonen' (líf kjósa), dat zij ‘wetten maken' (lög leggja), en dat zij ‘het lot spreken (of schrijven) (ørlög segja)'. Deze taken kunnen we zien als verschillende aspecten van een fundamentele functie: zorgen voor de structurele integriteit van de kosmos zoals vertegenwoordigd door het beeld van de wereldboom. We kunnen zelfs zeggen dat ‘wetten maken' of ‘lot spreken' gelijk staat aan het verzorgen van de boom.

Het moge duidelijk zijn dat deze twee begrippen bijzonder belangrijk zijn in de Germaanse samenleving. Om deze concepten beter te begrijpen, is het zinvol om de Oudnoorse termen ervoor toe te lichten. De algemeen geaccepteerde betekenis van lög leggja is ‘wetten maken', maar de letterlijke betekenis van deze uitdrukking is ‘het neerleggen (of plaatsen) van lagen'. Het zelfde idee van lagen vinden we terug in de Oudnoorse uitdrukking ørlög segja die letterlijk ‘de oerwetten (of oerlagen) uitspreken' betekent. Voor onze voorouders vloeide de wet voort uit het verleden, uit de geaccumuleerde lagen van gebruiken, eerdere rechtspraken en gewoonterecht5 . Het lot vindt eveneens zijn oorsprong in het verleden, maar dan uit de gebruiken, zeden en daden van het individu, de sibbe, en de hele stam. Het lot is de oerwet die de kosmische orde bindt, de eerste, oorspronkelijke en belangrijkste wet.

HET LOT EN INDIVIDUELE VERANTWOORDELIJKHEID

In de heidense wereldvisie speelt het lot een belangrijke rol. In de saga's komt het thema van het lot zo vaak voor dat ik het als een van de meest centrale concepten van Asatru beschouw. Maar wat houdt dit concept eigenlijk in?

Tijd wordt meestal beschouwd als bestaande uit drie onafhankelijke delen: het heden, het verleden en de toekomst. Voor de Germanen bestond het begrip ‘toekomst' echter niet als zodanig. Voor hen was de toekomst onlosmakelijk verbonden met het heden en het verleden, een constant ‘in wording zijn' van hetgeen reeds in het heden en verleden aanwezig was. Deze beschouwing is heden ten dage nog in onze taal terug te vinden: in tegenstelling tot de Romaanse talen moeten we gebruik maken van hulpwerkwoorden om de toekomstige tijd van werkwoorden te vormen. De toekomst wordt dus bepaald door wat vooraf ging, de oerlagen of örløg. In de saga's komen wij dit woord vaak tegen, meestal in een zeer fatalistische samenhang: geen mens kan aan zijn örløg ontkomen.

Hierdoor zou men gauw kunnen denken dat deze wereldvisie zeer deterministisch is; dat wil zeggen dat alles wat gebeurt vooraf bepaald is. Het logische gevolg hiervan is dat de mens geen keuzevrijheid kent, en dus geen verantwoording voor zijn daden hoeft af te leggen. Maar niets is minder waar. De oerlagen zijn namelijk niet statisch, zij worden constant aangevuld door onze woorden en daden in het heden. Om een analogie te gebruiken: het bestaan van een mens kan met een boom vergeleken worden. De wortels van de boom liggen in de oerlagen; de stam en de takken zijn in het verleden ontstaan. De bladeren en twijgjes bestaan in het heden, maar zijn afhankelijk van de rest van de boom. Zij zorgen ervoor dat dauw en regen terug naar de wortels gevoerd worden, en als zij eraf vallen verrijken zij de aarde die de wortels voedt. Deze voeding wordt vervolgens door de boom opgenomen om nieuwe bladeren, twijgjes en vruchten voort te brengen.

Een beeld dat vaak terugkomt in de Germaanse dichtkunst als over het lot gesproken wordt is weven. De schering (verticale draden van het weefwerk) vormt het kader, de context waarin een leven zich afspeelt – de oerlagen in de breedste zin van het woord. De inslag (horizontale draden) zijn de lagen van het verleden: reeds gesproken woorden en daden die een mens al verricht heeft. Handelingen en keuzes in het heden voegen telkens weer een nieuwe draad aan het weefwerk toe. Deze nieuwe draden zullen nooit de reeds ingeweven draden kunnen veranderen, maar het resulterende patroon ligt nooit vast. Nieuwe motieven kunnen aan het weefwerk toegevoegd worden; een reeds begonnen motief kan ingrijpend veranderen door gebruik van andere kleuren.

Het fundamentele terugkerende element in deze analogieën voor het lot is de wisselwerking tussen de mens en zijn oerlagen. De mens kan zijn lot beïnvloeden, hij ondergaat het niet passief. En voor mij is het gevolg hiervan dat de mens mede verantwoordelijk is voor zijn lot. Het patroon van de oerlagen kan weliswaar zo sterk zijn dat het bijna niet te beïnvloeden valt (denk bijvoorbeeld aan een honderd jaar oude boom die verplaatst moet worden ), toch heeft de mens de keuze over hoe hij met zijn lot omgaat. En misschien moeten wij de uitdrukking ‘geen mens kan aan zijn örløg ontkomen' als volgt lezen: "Ik ben voor mijn lot verantwoordelijk; zelfs als ik er niets aan kan veranderen, kan ik in ieder geval het beste ervan maken!"

SOCIALE MORAAL EN GEZOND VERSTAND

Goed en kwaad, zeden en gewoonten, wet en recht, het lot… een heel systeem van onderling verbonden concepten die, mijn inziens, de basis vormden voor de morele opvattingen van de Germaanse stammen. Het waren de bouwstenen van hun samenleving, de materialen waarmee de gemeenschap, de inanngarðs, gebouwd was. En ook al had de boer op zijn akker misschien geen bewust besef van deze theoretische concepten, zijn hele levenswijze was er van doordrongen. De moraal van onze voorouders was voornamelijk een sociale moraal die de cohesie van hun gemeenschap garandeerde.

In tegenstelling tot andere culturen bestaan er geen handschriften waarin de Germaanse morele opvattingen staan opgetekend. Wel is een aantal gedichten bewaard gebleven waarin wij sporen van hun morele gedachtegoed kunnen terugvinden. Het voornaamste voorbeeld hiervan is de Hávamál, waarin een reeks goede raadgevingen te lezen is die wij vandaag de dag nog ter harte kunnen nemen. Het is geen lijst van geboden, maar het zijn vernuftige adviezen die blijk geven van gezond verstand.

"Geen betere last draagt een man op zijn pad
dan een gezond stel hersens
in een vreemd land is dat beter dan rijkdom
het biedt een arme drommel zelfs onderdak."6

Kenmerkend voor deze raadgevingen en adviezen is hun uiterst pragmatische karakter, een element dat ook regelmatig in de saga's opduikt. In mijn ogen zijn dit pragmatische karakter, samen met de belangrijke plaats die het lotsbesef inneemt, de twee meest typerende kenmerken van de moraal van onze voorouders. En misschien moeten we juist in deze twee elementen de sleutel voor een moderne heidense ethiek zoeken.

PRAGMATISCHE ETHIEK

Een in mijn ogen zeer interessant stuk voor Asatru is het essay "Pragmatic Ethics" door Hugh LaFollette. Zijn benadering van het vraagstuk moraal en ethiek vertoont op vele punten overeenkomsten met de heidense gedachtegang zoals ik die hierboven geschetst heb.

Deze schrijver ziet moraal als een gewoonte, te vergelijken met bijvoorbeeld lopen. Als we als kleine kinderen leren lopen, zijn we daar zeer bewust mee bezig, en is onze geest daar helemaal op gericht. Daarna schenken we er geen aandacht meer aan, tenzij we door omstandigheden gedwongen worden opnieuw te leren lopen. Denken is ook zo'n gewoonte. Het is een ingewikkeld proces, en ook al realiseren we ons dat niet, het kost tijd en moeite om te leren denken. Wanneer deze processen eenmaal geleerd zijn, vormen ze deel van onze dagelijkse, onbewuste, activiteiten.

Maar gewoontes ontstaan niet zomaar. In zekere zin kunnen we zeggen dat gewoontes het verleden naar het heden overdragen. Ze zijn het product van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld de sociale omgeving of ervaringen in het verleden. Dit betekent niet dat wij geen controle over onze gewoontes hebben. In tegendeel, we zijn voor onze gewoontes verantwoordelijk: we kunnen onze gewoontes veranderen, of nieuwe gewoontes leren. Uiteraard gaat dit niet vanzelf, bewuste keuzes en corresponderende actie zijn vereist om dit te bereiken.

In deze context kunnen we ook het moraalbesef als een gewoonte zien. Meestal nemen we beslissingen op het moment zelf, zonder bewust de ethische implicaties ervan te overwegen. Als iemand in de bus opstaat om zijn plaats aan een slecht-ter-been persoon af te staan, gaat hij niet eerst peinzen of dit een ethisch juiste beslissing is. Het is een spontane, voor hem normale reactie op de situatie. Als je hem zou vragen waarom, zal hij waarschijnlijk antwoorden "Dat doe je gewoon, zo hoort het." Met andere woorden, het is voor hem een gewoonte.

Morele gewoontes moeten wij niet zien als simpele, alleenstaande handelingen, maar eerder als een georganiseerde serie van verschillende processen die tot een bepaalde handeling leiden. Deze gewoontes worden sterk beïnvloed door het verleden, met name door de sociale en culturele omgeving. Maar net als voor andere gewoontes, zijn we uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor ons moraalbesef. Volgens LaFollette, betekent dit dat we constant onze morele opvattingen zouden moeten evalueren en, indien nodig, herzien. Waar de consequenties van een morele beslissing niet overeenkomen met het beoogde resultaat, kunnen we het onderliggende moraalbesef van het beslissingsproces in twijfel trekken. En als de omstandigheden veranderen, dient de vraag zich aan of onze morele gewoontes ook niet aangepast moeten worden.

Pragmatische ethiek is niet gebaseerd op een lijst van absolute morele standaarden, gedicteerd door een almachtige en alwetende god, zoals wij dat kennen van de grote monotheïstische godsdiensten. Pragmatische ethiek legt de verantwoordelijkheid voor moraalbesef bij het individu, en erkent en respecteert de verschillen tussen mensen, culturen en omstandigheden. Morele vooruitgang ontstaat door ervaring en discussie, niet door proclamaties van hoger hand.

HET LOT EN ETHIEK

Ik zie een grote overeenkomst tussen de pragmatische ethiek zoals geformuleerd door Hugh LaFollette en het principe van het lot zoals ik het hierboven beschreven heb. Met name het concept van gewoontes wordt weerspiegeld in, en aangevuld door, het Germaanse lotsbesef. Dit zijn dan ook naar mijn mening de pijlers van een heidense ethiek.

Het lot is een van de meest fundamentele krachten die ons leven beïnvloedt en vorm geeft. Diverse elementen, zoals de sociale en culturele omgeving, erfelijkheid, keuzes en daden in het verleden, maken deel uit van de oerlagen van een individu. Deze oerlagen kunnen wij vergelijken met het patroon dat reeds op een weefgetouw geweven is: ze kunnen niet veranderd worden, en ze bepalen gedeeltelijk hoe de rest van het patroon eruit gaat zien. Het individu blijft echter, in mijn ogen, mede verantwoordelijk voor zijn lot. Door zijn acties en keuzes kan hij namelijk veranderingen in zijn lot brengen.

Moraal maakt ook in zekere zin deel uit van de oerlagen. Het moraalbesef van een individu zal zijn woorden en daden kleuren, en dit zal natuurlijkerwijs van invloed op diens lot zijn. Stel dat een werknemer beschuldigd wordt van grove nalatigheid. Deze werknemer staat bovendien bekend als iemand die regelmatig liegt over kleine dingen. Vanwege zijn leugenachtige verleden, zijn oerlagen, loopt hij het risico dat er weinig waarde aan zijn uitspraken wordt gehecht, met als gevolg dat zijn carrière stagneert.

Het is bijna onmogelijk te voorspellen wat voor invloed het moraalbesef van een persoon op diens lot kan hebben. Sommige woorden en daden lijken triviaal, terwijl ze verregaande consequenties kunnen hebben, en andersom. Meestal is het pas achteraf mogelijk te zeggen wat de gevolgen van een keuze waren, en aan die keuze kunnen we uiteraard niets meer veranderen. Wel kunnen we leren van het verleden, en zorgen dat we in een soortgelijke situatie een betere beslissing nemen. Als een in mijn ogen ‘verkeerde' beslissing het gevolg van mijn moraal is, is het mijn verantwoording om die moraal aan de kaak te stellen, en desnoods aan te passen.

Maar een mens leeft niet in een vacuüm: zijn acties en handelingen zijn in constante interactie met de rest van zijn omgeving. Sterker nog, het individu heeft niet alleen invloed op zijn eigen oerlagen, maar ook op de oerlagen van het grotere geheel. Zo kunnen bijvoorbeeld de keuzes van een ouder het leven van een kind beïnvloeden, of de acties van een kleine groep milieuactivisten het nationale bewustzijn veranderen. Een beeld om deze interactie weer te geven is dat van een spinnenweb. Elk punt van het web is verbonden met alle andere punten, ook al is de relatie tussen twee punten niet altijd even duidelijk te traceren. En als wij een punt van het web in beweging brengen, door bijvoorbeeld erop te blazen, trilt het gehele web mee. Met andere woorden: onze keuzes en daden hebben niet alleen consequenties voor onszelf, maar (in meer of mindere mate) voor alles om ons heen.

Heidense moraal en lotsbesef zijn in mijn ogen niet van elkaar te scheiden. De oerlagen, die ook mijn morele standaarden en mijn normen en waarden omvatten, hebben een invloed op mijn keuzes. Maar ik, en niemand anders, draag uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor de gevolgen ervan, en dus ben ik moreel verplicht om over de mogelijke gevolgen van mijn daden na te denken. Zoals onze voorouders het zouden zeggen: ‘þu bist þin dæda'. Je bent je eigen daden.

  1. In dit artikel gebruik ik de termen ‘heiden' en ‘heidens' als synoniem voor Asatru…<terug>
  2. Een soortgelijke tegenstelling vinden wij ook terug in de Noordse kosmologie. Utgard is de chaotische wereld van reuzen en trollen, wreed en vijandelijk. Binnen de omheining bevinden zich Midgard en Asgard, de werelden van mensen en goden.<terug>
  3. Voor een uitvoerige discussie over deze concepten en hun onderlinge verwantschap, zie Eric Wodening: We are our Deeds.<terug>
  4. Het woord ‘heilig' vindt zijn oorsprong in het proto-Indo-Europees *kailo-, ‘ongedeerd, heel'.<terug>
  5. In IJsland, bijvoorbeeld, moest de wetspreker elk jaar één derde van de wetten opsommen. Als een wet drie keer achter elkaar vergeten of overgeslagen werd, kwam die te vervallen. Het was dus duidelijk in het belang van de gemeenschap om de wetten te onthouden en ‘onderhouden'.<terug>
  6. Lied Edda, Hávamál 10 – vertaling Marcel Otten. <terug>

Bronnen

  • Atheïstisch Manifest – Herman Philipse
    Prometheus, Amsterdam 1998
  • Introduction to Philosophy, A christian perspective – Norman L. Geisler & Paul D. Feinberg
    Baker Book House, Grand Rapids, Michigan 1997
  • Metaphysics – Richard Taylor
    Prentice Hall, New Jersey 1992
  • Etymologisch woordenboek – J. de Vries & F. de Tollenaere
    Het Spectrum, Utrecht 1997
  • Germania – Tacitus, vertaling van J. W. Meijer
    Ambo 1992
  • The Viking Achievement – Peter Foote & David M. Wilson
    Book Club Associates, Londen 1974
  • Vikingernes Verden – Else Roesdahl
    Gyldendal, Kopenhagen 1989
  • The Well and the Tree – Paul Bauschatz
    The University of Massachusetts Press, Amherst 1982
  • We Are Our Deeds – Eric Wódening
    Theod, Watertown New York 1998
  • Ethical Theory – Hugh LaFollette
    Blackwell, Oxford 2000
    http://www.stpt.usf.edu/hhl/papers/pragmati.htm
  • Teutonic Heathenry and Deweyan Ethics: Are They Compatible? – Terry A. Coker
    Theod Magazine, Watertown New York 1997
  • What is Wyrd? – Arlea Æðelwyrd Hunt-Anschütz
    http://www.wyrdwords.vispa.com/heathenry/whatwyrd.html