Tagarchief: Odin

Twee strijdgenoten

Twee strijdgenoten
De speer en het zwaard

Inleiding
Het grove beeld van de oude Germanen is dat zij nogal van strijd genoten. Nu is een prototype zelden geheel waar. Echter, zij slaat ook zelden de plank geheel en al mis. Van de Germanen zelf, noch van tegenwoordige aanhangers van asatru, zal ik wat dit betreft iets zeggen, maar toch lijkt één ding helder. Gezien de verhalen konden hun asen, wanen, dwergen, reuzen en andere wezens, onze goden, zeker van de strijd te genieten. Toch worden twee specifiek genoemd als oorlogsgod: Tiwaz en Wodan, ofwel Tyr en Odin (oudnoorse namen).1 Daarom zijn zij in dit stuk onze strijdgenoten.
De ondertitel ‘De speer en het zwaard’ heb ik gebruikt omdat beide wapens gehanteerd werden door de Germanen in de tijd die ik beschrijf, van zo’n 500 v.o.j. tot halverwege de middeleeuwen. Zeker in het begin van deze tijdsspanne werden speren vaker gebruikt dan zwaarden. Met de speer verwijs ik naar Wodan (Odin), die volgens Otten bijna altijd met zijn speer verschijnt (aantekeningen bij Sigdrífumál).2 Het zwaard verwijst voor mij naar Tiwaz (Tyr); in dezelfde aantekeningen wordt Tyr aangeduid als de god van het zwaard.2 Maar zo eenduidig is het niet altijd. De speer wordt ook in verband met Tiwaz gebracht. Het centrum van het ding, waar Tiwaz heerst, werd gemarkeerd met de speer.3 En in de Edda wordt Wodans zwaard Brimir, Rinkinker, beschreven.2 De titel heb ik zo gekozen omdat, hoewel zij verschillen, beide oorlogsgoden niet altijd uit elkaar te houden zijn. Bij voorbeeld niet als je hun bestaan, of cultus, afleidt uit archeologische vondsten of beschrijvingen uit Romeinse en Griekse bronnen. Ook in mijn eigen ervaring kan ik soms niet goed onderscheid tussen beiden maken, alhoewel zij sterk verschillend op mij overkomen.

Strijd
Op grond waarvan worden Tiwaz en Wodan als strijdgoden beschouwd? In de vroege heidense periode, ruim rond jaartelling, is het Tiwaz die door de Romeinen wordt vereenzelvigd met Mars, hun oorlogsgod.1 Tiwaz wordt door hen als de oorlogsgod van de Germanen aangeduid. Zo wordt hij geëerd met een votiefaltaar door soldaten uit Friesland in het Romeinse leger, waarop hij Mars Thingsus wordt genoemd.1 Ter Tiwaz’ eer zouden zwaarden worden gehanteerd en geofferd.1 Tyr zou dezelfde kunnen zijn geweest als Saxnot, dat waarschijnlijk is afgeleid van ‘Sahsginot’, ofwel zwaardgenoot. Het kan zijn dat deze eenhandige ase is afgebeeld op Scandinavische bronstijd-rotstekeningen,3 hier als iemand met één hand en een zwaard omgegord (eerste plaatje, Vitlyckemuseum).twee_strijdgenoten_afb_2 Later, in de Edda’s en sagen die halverwege de middeleeuwen vooral in IJsland werden opgetekend, treedt Odin veelvuldig als legergod en overwinningsschenker op.1;2;4 De eerste oorlog wordt door hem ontketend als hij zijn spies over het vijandelijke leger werpt (Völuspá).2 In Grimnismál stelt hij zich onder andere voor als “Heervader, de glorieuze, aan oorlog gewend” en als “de Doder op het slagveld”. Speerzwaaier is een andere naam die hij voert (Sigdrífumál aant).1;2 Misschien is hij reeds op een andere Scandinavische rotstekening uit de bronstijd verbeeld,3 zoals deze andere afbeelding van het zweedse Vitlyckemuseum (tweede plaatje).
Bij hen beiden kon je dus terecht voor hulp de overwinning in de strijd te verkrijgen. Snorri meldt ons dat Tyr de macht heeft over de strijdzege.4 Hoe dat concreet te regelen, vertelt de walkure Sigdrifa in het lied Sigdrífumal.2 Zij raadt haar geliefde Sigurd aan de zege te verkrijgen door zijn zwaard aan Tyr te wijden:
Leer runen de zege als je zege begeert,
Rits ze op het gevest van je zwaard,
Sommige in de bloedgeul, sommige op de kling,
Roep Tyr tweemaal aan.

Ook aan Odin offert men in sagen voor overwinning.5 ‘Sigtýr’, Zegegod, werd hij genoemd (Atlakvidha in Groenlenzka, aant).2 Met zijn speer Gungnir beslist Odin de uikomst van de strijd.6 Zelfs Frigg, Wodans gemalin, wist gebruik te maken van Wodans macht de overwinning te schenken. In het zevende eeuwse Origo Gentis Langobardorum staat beschreven hoe Frigg een list verzint opdat Wodan de zege aan haar favoriete stam de Longobarden toekent.7
De strijdlust die beide heren aan de dag leggen, heeft echter een weerslag. Geen van beiden schijnt erg goed te zijn voor het in stand houden van de lieve vrede: In Loki’s scheldpartij, verwijt Loki Tyr: “Nooit hield door jouw toedoen tussen twee wezens de vrede stand” (Lokasenna).2 In de Gylfaginning wordt nog eens herhaald dat hij geen vredestichter is.4 Sommige bijnamen van Wodan spreken ook boekdelen, zoals ‘Opstoker’ (Grimnísmal) en ‘Twister’ (Vafthrudknismal).2
Bij het lezen van Romeinse verhalen over volgers van zowel Tiwaz als Wodan, valt mij op dat verregaande offers tegenover grootse gunsten lijken te staan. Hiervan getuigt de anecdote die Tacitus in de Romeinse tijd opschreef overtwee_strijdgenoten_afb_1 twee Germaanse stammen, de Chatti en de Hermunduri.1;6;8 Deze waren verwikkeld in een strijd over een zeer belangrijk gebied. Het bevatte een zoutmijn, dat in die tijd economisch uiterst interessant was, en een heilig stuk grond. Beide partijen wilden zo graag winnen dat zij Mars (Tiwaz wordt hiermee bedoeld) en Mercurius (lees: Wodan) het gehele verslagen leger als offer toezegden, indien de overwinning hen ten deel zou vallen. Dit kwam erop neer dat niemand in leven werd gehouden, alle paarden werden gedood, alle wapens en wapenuitrusting werd vernield en de kostbaarheden werden weggedaan; niets van de buit bleef over voor de overwinnaars, behalve het stuk grond. Na de zege hebben de Hermundari deze belofte gestand gedaan.
Toch verschillen Wodan en Tiwaz in hun strijdvaardigheid: Terwijl de ene een uitzinnige vechtstijl heeft, lijkt de andere een gedisciplineerde vechter. HR Ellis Davidson noemt Wodan meermalen ecstatisch.1;6 Deze buitenzinnige kant van Wodan komt eveneens naar voren in Blains boek.9 De 11e eeuwse monnik Adam van Bremen zei het kort en bondig: “Wodan, id est furor,” Wodan is woede.1 Hij zet aan tot buitenzinnigheid in de strijd en is leider van de berserkers, volgelingen van Odin die zichzelf in de strijd lijken te verliezen en gevreesd waren om de ravage die ze konden aanrichten. Tiwaz daarentegen komt juist beheersend over. Tacitus beschrijft de Semnonen, een Germaanse stam, die waarschijnlijk Tiwaz als belangrijkste god hadden.1;6 De jaarlijkse offerplechtigheden vonden plaats in een heilig woud, dat de stamleden alleen met een koord gebonden mochten betreden.10 Dit zou zijn “om macht van de god te benadrukken om zijn volgelingen te binden, zoals Tyr de wolf bond.”1

Meer dan strijdlust
Behalve de strijdlust, vallen er ook andere dingen te vertellen over de strijdgenoten. Laat ik iets vertellen over wat er op te maken is over hun karakter.
Wijsheid. De eerste aan wie de meesten zullen denken bij dit woord is natuurlijk Wodan. De raad die hij ons geeft in de Hávámál is welsprekend en wijs.2 Veel heeft hij ervoor over om wijsheid en kennis te verkrijgen. Zoals de keer dat hij een oog gaf, opdat hij een slok uit de bron van Mimir kon nemen om wijsheid en begrip te verkrijgen.4 Kennis probeert hij ook te vergaren door zich met de zeer wijze reus te meten (Vafthrudhnismal).2 Wodan won. Maar, minder bekend: Tyr was zo wijs, dat de wijste mens spreekwoordelijk Tyr-oordeelkundig werd genoemd.4
Door gebrek aan overgeleverde verhalen is het lastig een volledig beeld te vormen van Tiwaz. Van Wodan is het beeld niet erg helder. Alhoewel in de overgeleverde verhalen uitgebreid wordt verteld over Odin, komt hierin een complex karakter naar voren. Toch lijken beide karakters sterk te verschillen.1 Bondig en vriendelijk gezegd: Tyr staat voor wet en recht, Wodan is wijs en listig.
Er vallen meer eigenschappen op. Wodan is zeer spraakzaam: de ‘Roeper’ of ‘Prevelaar’, vertelt in de Hávámál van zichzelf hoe hij Suttung de felbegeerde mede probeert te ontfutselen: “Met een vloed van woorden bepleitte in mijn zaak in Zwalkers hal.”2 De ansuz-rune wordt toegeschreven aan de Alvader in een IJslandse runedicht en wordt beschreven als spraakrune in een Angelsaksisch runedicht, zie de tabel hieronder voor de oorspronkelijke teksten en de vertalingen naar Paxson:5
IJslands runedicht          Vertaling volgens Paxson5
‘A’ [óss] er aldingautr      Ase is de oudevader (Odin)
ok asgardhs jofurr            en Asgaards opperhoofd
ok valhallar visi                en Walhalla’s leider.

Angelsaksich runedicht                                  Vertaling volgens Paxson5
‘A’ [Os] byth ordfruma aelcre spraece,     Mond is de opperste van alle spraak,
wisdomes wrathu ond witena frofur,       hoeksteen van de wijsheid en het gerief van de wijzen,
and eorla gehwam eadnys ond tohiht.     voor elke edele hoop en geluk.

Tiwaz, daarentegen, lijkt een zwijgzame ase. In ieder geval in de Lied en Proza Edda spreekt hij zelden.2;4 Afgezien van de Lokasenna, schijnen zijn daden meer gewicht te hebben, al zijn ook die weinig beschreven. Hij heeft een aandeel in het ‘halen’ van de ketel van Hymir. Hiermee kon Aegir bier voor de goden brouwen, die daarna iedere winter bij hem konden gaan bier drinken (Hymiskvidha).2 Verder voedde Tyr de angstaanjagende Fenrir. Door Tyrs toedoen, niet door zijn woorden, was het dat Fenrir kon worden vastgebonden.4
De kunst te verleiden bestaat in verscheidene maten. Wodan moet hierin uitmuntend zijn, vandaar misschien ook wel de bijnaam ‘Verleider’.2 In de Havamál wordt verteld dat hij de reuzin Gunnlöd weet te verleiden waarna hij haar vaders mede kan stelen.2 Tyr schijnt andere kwaliteiten te hebben. In de Lokasenna is hij Loki’s mikpunt van spot, omdat Tyrs vrouw een kind kreeg van Loki, zonder dat Tyr daarvoor genoegdoening krijgt (Lokasenna).
Maar dankzij zijn daden is hij, volgens de Gylfaginning, de stoutmoedigste der asen, een man van stavast.4 Iemand die niet wankelt noemde men daarom ‘tyr-moedig’.
Angst aanjagen zou Wodan best kunnen denk ik. Verscheidene malen wordt aan hem gerefereerd als doodsgod.1;9 Dat verbaast mij niet van iemand die ‘God van de gehangenen’ wordt genoemd4 en die, door zich te verhangen en met een speer te doorboren, zichzelf aan zichzelf heeft geofferd (Hávámál).2 Dapperen die in de strijd vallen worden verwelkomd in Walhalla, Odins hal.2 Van de tijd vóór de op schrift stelling van de Edda is een vrij groot aantal (veen)lijken gevonden met koord om nek en/of met sporen van verwurging of die doorboord waren met een speer.6;11;12 Algemeen gaat men ervanuit dat deze toebehoren aan Wodan.1;3;6 Zeker de populier heeft Wodan wat griezelig gevonden, althans volgens een Vlaams rijmpje dat verklaart waarom deze boomsoort altijd beeft:13 ‘Wodan en Loge, de groote Goden van ’t oude Germanje, trokken eens door ’t woud. Alles boog vol eerbied en ontzag voor hen neer, waar zij ook kwamen en gingen. Een boom, één alleen, boog zich niet. ’t Was de poppel. Wodan schoot in woede: “Hoogmoedige poppel,” riep hij, waarom buigt ge nu niet voor mij, gelijk al de andere bomen en heesters van ’t woud?” De boom beefde bij de woorden en wilde zich neerbuigen voor den opperste Meester, maar Wodan hernam met een nog schrikkelijker stem: “Neen, ik wil niet meer dat gij voor mij neerbuigt, beven zult gij voortaan, beven en blijven beven, vol schrik, … Zelfs als een nietig windeken slechts even den kop zal opsteken…’ Dat is de reden dat populiereblaadjes reeds ruisen bij het minste zuchtje wind. Zelfs de poppel heeft Wodan waarschijnlijk, net als in de Edda, Yggr, de Verschrikkelijke, genoemd.2

Offers
Beide beide asen vind ik iets gruwelijks meedragen. Ik denk dan aan de offers in de brons-, ijzer- en Romeinse tijd. De Semnonen die jaarlijks Tiwaz groots zouden hebben geëerd, luisterden deze riten op met mensenoffers.1;6;10 Vaak kan men op grond van archeologische vondsten (lijken, veenlijken) zien of mensen moedwillig en door geweld om het leven zijn gekomen, ofwel ‘geslacht’ zijn.12 Men kan zelfs dikwijls afleiden of dit ritueel is geschiedt. Maar zeer lastig is het te achterhalen of het pure mensenoffers betreffen, terechtstellingen of een combinatie van beide. In ieder geval denk ik dat terechtstellingen vaak ook ritueel waren. Volgens Tacitus hadden alleen de ‘priesters’* van het ding het recht te straffen en van gerechtelijke moord.10 Ook in legers werden volgens hem tuchtmaatregelen alleen voltrokken door ‘priesters’*, omdat dit een bevel zou zijn van de god die de strijders in de oorlog bijstaat. Tiwaz was zowel de dinggod als de oorlogsgod. Nu over naar de ‘God van de gehangenen’. Behalve de hierboven beschreven veenlijken, hebben wij ook een sage die eenzelfde mensenoffer aan Wodan beschrijft. In de Gautreks sage belooft Vikarr Odin zichzelf aan hem te offeren door zich op te hangen en met een speer te verwonden.3 Vervolgens probeert hij Odin op te lichten door een strop van darm aan een jong boompje en een jonge twijg als speer te gebruiken. Echter, hij wordt zelf belazerd doordat de strop stug wordt, het boompje bliksemsnel groeit en naar boven schiet en het twijgje in een speer verandert.
Ook in de mythen geven Odin en Tyr ons een goed voorbeeld van ‘do not try this at home.’ Beiden offeren zichzelf op een akelige manier. Zo denk ik aan de mythe over Yggr (Wodan), die verhaalt hoe hij zichzelf met een speer doorboort en zich aan een boom ophangt.2 Ik vind het afgrijselijk, maar ook zeer intrigerend, omdat hij dit doet om de runen te verkrijgen. En daar hebben wij wat aan. Evengoed vind ik het verhaal van Tyr en Fenrir weerzinwekkend. Toen Fenrir bij de asen werd opgenomen, was Tyr als enige bereid hem te voeden.4 Maar Fenrir zou te groot en te gevaarlijk worden, dus besloten de asen dat hij vastgebonden moest worden. Fenrir voelde daar natuurlijk niets voor en eiste een waarborg tegen een list, wat het overigens ook was. Als onderpand legde Tyr zijn beste hand in de wolvebek. De list kwam uit, Fenrir werd gebonden, Tyr verloor zijn zwaardhand en de veiligheid van de wereld was voorlopig geborgen. Hij verloor tevens zijn waardigheid, omdat plegers van meineed hun hand verloren (maar dat kan ook een middeleeuws gebruik zijn geweest). Het weerzinwekkende vind ik de breuk van vertrouwen, de schande die voor ieder zichtbaar is en het vrijwillig opgeven van je eigen hand. Ik bewonder handen. Toch bewonder ik Tyr ook: Tyr is de enige die bereid is te doen wat gedaan moet worden, twee keer zelfs in het verhaal, en voor de publieke schande op te draaien. Kortom, ze hebben wat gruwelijkheid in offers gemeen. Voor beide offerverhalen geldt: goed voorbeeld doet, hopelijk, niet altijd goed volgen.
Ik heb wel eens meningen gelezen die de verschillen tussen beide offers aanzetten. Soms wordt gezegd dat Wodans actie egocentrisch is en Tyrs offer altruïstisch. Ik ben het daar niet geheel mee eens. Wij plukken de vruchten van Yggrs wat maniakaal aandoende, maar zeer lucratieve stunt. Hij loopt het risico, krijgt er wat voor terug, maar de runen (en opgedane wijsheid) deelt hij vervolgens met ons. Daar staat hij om bekend en ik ben hem daar dankbaar voor. Anderzijds doet Tyr iets wat menigen graag willen dat gedaan wordt, maar alsjeblieft niet door henzelf. Natuurlijk is dat nobel. Maar met beide dwingende acties legt hij zijn normen op: aan Fenrir en aan de gemeenschap. Zoals ik in Geweten (op deze site onder ‘Langhuis’) beschrijf, is dat niet louter altruïstisch. Fenrir wordt dubbel aan de band gelegd: Het voeden noemde ik hierboven dwingend omdat de wolf geen echte keuze heeft het eten van hem aan te nemen, hij is immers opgenomen bij de asen. Het voeden legt volgens mij een niet te verbreken band van Fenrir naar Tyr van afhankelijkheid, schuld en dankbaarheid. Of de voorbeelden nu verhalen van zelfoffering of zelfopoffering, kan ik daarom niet onderscheiden.

Om eerlijk te zijn
Ondanks de gruwelijkheden die ik met de nodige sensatiezucht heb opgehaald, hebben zowel Tiwaz als Wodan een belangrijke functie gehad voor hun samenlevingen. Nog steeds is in de noordwesteuropese talen de dinsdag naar Tiwaz en de woensdag naar Wodan vernoemd. Ik neem aan dat zij de stammen veel hebben gegeven om deze eer verdiend te hebben.
Tyr, de dinggod, houdt de samenleving heel door op de regels toe te zien, recht te handhaven en over de dingvrede te waken. Als afgeleide stel ik mij voor dat hij ons derhalve ook kan bijstaan in zien, herkennen en doen wat juist is. Ik verwijs tevens naar ‘De dingvrede’ door Aswulf, onder ‘Trouw aan de asen’, onder ‘Yggdrasils wortels.’ Ook Frey verwijst in de Lokasenna naar de beschermende functie van Tyr.2 Alhoewel Frey doelt op Tyrs rol als binder van de verscheurende wolf, denk ik ook aan zijn macht de verscheurende krachten in de samenleving middels wet en recht aan banden te leggen. Ook denk ik aan jezelf aan banden leggen, de zelfbeheersing. Niet alleen personen kan men beheersen maar ook zaken, kennis en vaardigheden.
En alhoewel ik uitgebreid en gretig over Wodans morbide trekjes heb verteld, is hij ook een heler, zoals beschreven in de Merseburger spreuken. Hierover staat meer in het artikel van dezelfde naam, van de hand van Aswulf, dat later op deze website zal verschijnen onder ‘Langhuis.’ Odin brengt niet alleen wijsheid en kennis en runen,2 maar ook inspiratie. Net zoals zijn raven Huginn (Zin) en Muninn (Verstand) de wereld invliegen om daarna naar hem terug te keren om hem berichten in te fluisteren,2 stel ik mij voor dat hij, die zelf de wereld is rondgezworven, ons kan influisteren. De opperste vorm van inspiratie is, denk ik, seidhr. Hoewel Wodan daar een meester in is, kan zijn lerares Freya ons daar misschien nog meer over vertellen.2;9

Om nog persoonlijker af te sluiten: Wodan vind ik intrigerend, veranderlijk en hij maakt mij nieuwsgierig. Hem zou ik om hulp vragen bij het schrijven van stukken die ik lastig vind. Ik denk aan hulp in de trant van: “Je kunt het zó bekijken, maar ook zó”. Tiwaz vind ik eerlijk, degelijk en helder. Als ik dat zou doen, zou ik bij Tiwaz zou ik een eed zweren. Bij hem denk ik aan: “Als iets zo is, dan is het ook zo”. Beiden zou ik om hulp vragen als ik op zoek ben naar de waarheid – de ene vertrouw ik meer en richt volgens mij meer, de andere lijkt mij creatiever en spraakzamer. Beiden zou ik te hulp vragen als het tijd is iets te bereiken of voor mijzelf of mijn dierbaren op te komen. Daarentegen versta de ene ik beter (of ‘spreekt’ hij beter?), terwijl de ander mij dieper in mijn kern raakt (of laat ik deze verder toe?). De waarheid zal aan beide kanten liggen.

* Tegenwoordig wordt aangenomen dat de Germanen geen priesters hadden zoals wij of de Romeinen die kenden. Mensen die de rituelen leidden zouden meestal de belangrijkste mensen van de desbetreffende groep zijn geweest. Misschien is de term ‘hoogwaardigheidsbekleder’ beter op zijn plek. Omdat Tacitus hen volgens het gebruik van de Interpretatio Romana wel ‘priesters’ (in het latijn:‘sacerdotes’) noemt, heb ik deze term overgenomen en tussen aanhalingstekens gezet.

Etje, 2008

Referenties
(1) Ellis Davidson HR. Gods and myths of northern Europe. first ed. Harmondsworth, Middlesex, England: Penguin Books Ltd, 1964.
(2) Vertaling Marcel Otten. Edda. vijfde druk ed. Amsterdam, Nederland: Ambos, 1994.
(3) Vries J de. Altgermanische Religionsgeschichte. dritte Auflage ed. Berlin, Duitsland: Walter de Gruyter & Co, 1970.
(4) Sturluson S, Brodeur AG. The Prose Edda. 1916.
(5) Paxson DL. Taking up the runes. A complete guide to using runes in spells, rituals, divination, and magic. first ed. Boston, Canada: Red Wheele / Weiser, 2005.
(6) Ellis Davidson HR. Myths and symbols in pagan Europe. Early scandinavian and celtic religions. first ed. New York, USA: Syracuse University Press, 1988.
(7) Martin J. From Godan to Wotan: An examination of two Langobardic mythological texts. In: Barnes G, Clunies Ross M, editors. Old Norse Myths, Literature and Society. Sydney, Australia: Centre for Medieval Studies, University of Sydney, 2000: 303-315.
(8) Tacitus PC. The annals. 1997.
(9) Blain J. Nine worlds of seid-magic. Ecstasy and neo-shamanism in northern European paganism. first ed. London, GB: Routledge, 2002.
(10) Tacitus, vertaald door Hunink V. Het leven van Agricola. De Germanen. tweede druk ed. Amsterdam, Nederland: Polak & Van Gennep, 2006.
(11) Vilsteren VT van, Beuker JR, Bergen C, Gaedtke-Eckardt DB, Kossian R, Veil S et al. Schatten uit het veen. tweede druk ed. Zwolle, Nederland: Uitgeverij Waanders b.v., 2002.
(12) Aldhouse Green M. Dying for the gods. Human sacrifice in iron age and Roman Europe. first ed. Stroud, Gloustershire, GB: Tempus Publishing Limited, 2002.
(13) Cleene M de, Lejeune MC. Compendium van rituele planten in Europa. derde druk ed. Gent, België: Mens & Cultuur Uitgevers, 2003.

Maar één ding is zeker…

 © Aswulf, 1998

Het was zover… "Na vanavond is er geen weg terug meer, na vanavond is alles anders," dacht ik. "Voorbereiding is de helft van de overwinning," zeggen de oude krijgers. "De andere helft ligt in de handen van de Nornen," voegt er altijd wel iemand aan toe. Dan knikken ze met hun oude wijze hoofden en vegen de laatste druppels mede uit hun lange grijze baarden. Voorbereid? Ja, ik was voorbereid; voor zover je voorbereid kan zijn op zoiets. Overwinning? Misschien. Maar eigenlijk wist ik al dat dit woord geen betekenis meer had. In ieder geval niet voor mij.

Vaak genoeg ben ik gaan jagen, samen met de anderen. En vaak genoeg heb ik op het slagveld gestaan. Altijd heb ik zorgvuldig mijn plicht gedaan. Maar ik ben geen krijger. Dat heb ik altijd geweten. Mijn drang duwde me in andere richtingen, richtingen die de anderen, oud of jong, niet kunnen begrijpen. Altijd had ik vragen die ze niet konden beantwoorden, en dan zeiden ze: "Het is gewoon zo." Maar daar kon ik geen genoegen mee nemen. Ik moest begrijpen. Langzaam maar zeker ontstond er afstand tussen mij en de anderen; ze vonden me raar en meden mij. Zelfs mijn eigen broeders lachten om mij achter mijn rug.

De smid had mij al zijn geheimen onthuld, maar ook hij kon niet al mijn vragen beantwoorden. Steeds vaker bracht ik mijn dagen alleen door. Ik begon te zwerven door de bossen en bergen. Daar leerde ik van raven en wolven wat geen mens mij had kunnen vertellen. Eenzaam was ik niet meer: geregeld hield een raaf mij gezelschap. Soms kwam hij zelfs op mijn schouder zitten om mijn maaltijd te delen.

Zo gingen de dagen voorbij, totdat ik naar mijn moeders broeder gestuurd werd. Ik was een buitenstaander geworden, en dat baarde haar zorgen. Haar broer zou mij opvoeden, zoals het de gewoonte was. In het begin zei hij weinig. En ik gedroeg me zoals ik me bij mijn moeder had gedragen: ik had geleerd geen vragen te stellen, en zwierf alleen in de bossen. Het duurde niet lang voordat ook hier een raaf mij constant vergezelde. Toen mijn oom dit zag, fronste hij zijn wenkbrauwen. "Misschien…," begon hij, maar brak daarna meteen zijn zin af. Ik zei niets, en hij stelde verder geen vragen.

Op een morgen wenkte hij me naar zich toe. "Neem je speer, we gaan jagen," zei hij. Ik keek verbaasd: niemand anders van de huisgenoten was zich aan het voorbereiden op de jacht. "Inderdaad, alleen wij twee," beantwoordde hij mijn stille vraag. We verdwenen het bos in, en na een tijdje vroeg ik: "Wat jagen we? Hert, everzwijn…?" Hij onderbrak me. "Misschien, misschien… misschien zelfs iets heel anders. Laten we kijken wat jij voor ons kan vinden, hmm?"

Al gauw had ik het spoor van een everzwijn gevonden, een grote beer zo te zien. Vaak leek het alsof wij het spoor van het beest bijster waren, maar iedere keer vond ik het terug: de lessen van de wolven had ik goed onthouden. En plotseling stond hij daar, in het midden van een open plek; rustig, statig, alsof hij op ons wachtte. Zijn borstels glansden als goud in het zonlicht, en zijn grote slagtanden waren vlijmscherp. Het was een indrukwekkend dier. En al hadden wij hem voorzichtig tegen de wind in benaderd, ik was ervan overtuigd dat hij ons had opgemerkt. Het zou niet ongevaarlijk zijn om zo'n prachtig beest te doden, maar ik had al een plan. Voorzichtig legde ik het aan mijn oom uit, en tot mijn verbazing stemde hij er mee in.

Toen wij klaar waren met het slachten en villen van het zwijn was het al donker. Het was te laat om naar huis terug te keren, maar wij hadden onze mantels tegen de kou. Honger zouden we ook niet lijden. Mijn oom en ik hadden nog steeds weinig woorden gewisseld. Tijdens het eten van het geroosterde vlees zag ik, in de gloed van het kampvuur, hoe zijn ogen mij bestudeerden. Eindelijk verbrak hij de stilte. "Jagen als de wolven heb je jezelf geleerd." Het was geen vraag maar een vaststelling. Ik knikte ja. "Dan wordt het tijd dat je ook de rest leert." Hij begon te zingen, langzaam en laag, in een taal die ik niet begreep. En steeds keek hij me met zijn doordringende ogen aan. Hij trok een handvol kruiden uit zijn buidel om ze vervolgens op het vuur te gooien. De rook werd dikker, zijn gezang sneller en luider. Langzaam leek het alsof ik zijn lied begon te begrijpen, bijna zou ik het mee kunnen zingen. Het was een wolvenlied, wild en eindeloos net als hun eigen gezang. Terwijl ik daar zat, begonnen de ogen van mijn oom steeds meer op die van een wolf te lijken. Tegelijkertijd werd ik me bewust van vele wolven om ons heen. Ik schrok niet, ik was immers aan de aanwezigheid van wolven gewend. Dit was anders. Ineens besefte ik wat het was: ik begreep ze! Niet rationeel, als een mens die het gedrag van dieren bestudeert, maar gevoelsmatig. Ik begreep hun taal van klank, van geur, van lichaamshouding. Ik voelde het diep in mijn ingewanden; eindelijk begreep ik het!

De volgende ochtend werd ik met een zwaar hoofd wakker, net alsof ik een vat mede in mijn eentje geleegd had. Mijn oom was al wakker, en was bezig bij het vuur. Hij reikte me een kom vol van een geurig brouwsel aan; een glimlach speelde om zijn mond. "De eerste keer is altijd het ergst," zei hij, terwijl ik het bittere vocht dronk. Ik wist niet of hij zijn brouwsel bedoelde, of de gebeurtenissen van de vorige avond. Maar een ding wist ik zeker: eindelijk kwamen er antwoorden op mijn vragen.

In de maanden en jaren die volgden werd ik ingewijd in de geheimen van mijn oom. Ik raakte bekwaamd in de kunst van gedaanteverwisseling, ik leerde zijn magische liederen. Hij vertelde mij over de kracht van woorden, hij liet mij de magie van kruiden en planten zien. Ik leste mijn dorst naar kennis aan zijn bron van wijsheid. Maar hoe meer kennis ik vergaarde, hoe meer vragen beantwoord werden, des te beter begreep ik dat ieder antwoord vele nieuwe vragen oproept. Toch weerhield dit mij niet van mijn zoektocht naar kennis. Integendeel; mijn dorst was een onverzadigbaar verlangen geworden.

De dag kwam dat ik boven mijn leermeester uitgroeide: mijn oom had mij alles geleerd wat hij wist. De tijd was aangebroken om nieuwe leraren te zoeken. Verhalen over een vrouw, zeer bedreven in de tovenarij, waren ons ter ore gekomen; naar haar ging ik op zoek. Uiteindelijk vond ik haar op een eiland, en na een lange tijd wist ik haar te overtuigen mij haar kunsten te leren. Bij haar leerde ik de magie van trommel en dans, en hoe met de doden te communiceren. Vele aangename dagen en nachten heb ik daar doorgebracht. Maar mijn ontembare behoefte aan kennis dreef mij verder: ik verliet haar eiland. Toen begonnen mijn zwerftochten pas echt. Mijn reizen voerden mij van land tot land, van stam tot stam, van wijze man tot toverkol.

Nu ik hier stond, besefte ik dat iedere stap van mijn zoektocht onherroepelijk tot dit moment had geleid. Ik kon haast voelen hoe de draden van het lot zich om mij heen hadden gesloten, er was inderdaad geen weg terug meer. Ik moest mijn lot omhelzen. Ik keek omhoog naar de machtige boom die boven mij uit torende. Tien mannen met hun armen uitgestrekt zouden hem nog niet kunnen omarmen. Ik had ervan gehoord in de oudste liederen, maar nooit eerder had ik zo'n boom gezien. Het was een hele speurtocht geweest iemand te vinden die van zijn bestaan wist. Uiteindelijk heb ik een oude sjamaan ontmoet die mij meer kon vertellen. "De boom staat in een dal, hoog tussen de bergen gelegen," zei hij, "maar niemand weet precies waar. Maar een ding is zeker," ging hij verder, "als je de boom vindt ben je voor altijd veranderd."

Ik sloeg mijn kamp op aan de voet van de boom, alhoewel ik wist dat ik deze nacht niet zou slapen. Water haalde ik uit een beek die zijn bron had tussen de wortels van de boom. De schemering begon te vallen, het was tijd mijn laatste voorbereidingen te treffen. Ik mengde kruiden en wortels met mede, en dronk het drankje in een keer op. Ik zong de laatste en krachtigste van de liederen die ik van mijn oom had geleerd. Ik nam mijn speer. Zonder te aarzelen boorde ik hem diep in mijn zijde. Ik voelde hoe de punt langs mijn ribben gleed, en er aan de andere kant weer uitkwam; bijna bezweek ik van de pijn. Maar ik moest het ritueel voortzetten; nu stoppen zou mijn dood betekenen. De gedachte dat ik misschien alsnog zou sterven voor het einde van het ritueel schoot door mij heen. "Maar ja, dat ligt in de handen van de Nornen," dacht ik, en met een glimlach dacht ik terug aan de grijze krijgers in de medehal van mijn moeder.

Ik pakte het touw dat ik zelf geslagen had, brak de schacht van de speer af zodat die me niet zou hinderen, en klom de boom in. Het bloed liep langs mijn zijde, maakte mijn handen glibberig. Het was zwaar, zwaarder dan ik had verwacht. Ik klom totdat ik geen krachten meer had. Het was al nacht en ik was nog niet in de top. Hiervandaan leek mijn kampvuur een eenzame ster verdwaald in een koude winternacht. Ik bond het touw aan de boom vast en legde een strop om mijn nek.

De nacht danste om mij heen. In de verte hoorde ik wolven, ik hoorde de vleugelslagen van uilen. Ik hoorde de bergen en rivieren, zelfs de sterren kon ik horen. Ik hoorde draken zich omdraaien in hun slaap onder de bergen, en ik zag het vuur dansen op de grafheuvels. De rivieren glinsterden als vuur op een zwaardsnede in de nacht, en ik zag hoe ze om de aarde lagen als draden van een gigantisch web.

Hoog boven de wereld hing ik. De zon kwam op. Het duurde een eeuwigheid, het duurde een ogenblik. De hele wereld baadde in een gouden gloed. Ik zag hoe grote legers elkaar ontmoetten op het slagveld en hoe het bloed van de krijgers als rode rivieren door het land stroomden. Ik zag een moeder haar kind in pijn en vreugde baren, ik zag mieren hun wintervoorraad aanleggen, ik zag appelbloesem tot fruit worden. Hoeveel dagen en nachten ik in de boom hing weet ik niet: tijd had geen betekenis meer voor mij. Ik zag wat was geweest, en ik zag wat kon komen. Ik zag hoe de boom van nu uit het zaad van gisteren groeit, ik zag hoe de held van morgen geboren wordt uit de strijd van vandaag. En door alles heen schenen de draden die de Nornen spinnen.

Ik tuurde omlaag, probeerde mij te concentreren op de wirwar van draden. Maar steeds weer werd mijn blik naar één punt getrokken: een put waar alle draden vandaan kwamen. Langzaam maar zeker werd mijn oog de put in getrokken. Hier kwamen de draden bij elkaar, ze vormden patronen die zich weer in elkaar oplosten om nieuwe patronen te vormen, eindeloos afwisselend en steeds herhalend… Dit was wat ik moest begrijpen! Ineens zag ik de patronen in hun geheel. Ieder patroon is een deel van het web dat de Nornen spinnen, ieder patroon heeft zijn betekenis! De patronen bleven voor mijn ogen dansen, vervaagden, werden geluid, dan tekens. Het touw om mijn nek brak, brullend viel ik uit de boom, met een schreeuw viel ik omlaag…

Ik lag nog een lange tijd op de grond. Al de beelden die ik gezien had joegen door mij heen, om telkens terug te komen bij de raadselachtige tekens: ze waren in mijn geest gegrift. Eindelijk had ik gevonden waar ik al zo lang naar had gezocht. En alles was inderdaad anders geworden. Maar een ding zal nooit veranderen: mijn eeuwige dorst naar kennis. Dat is namelijk mijn lot!