Tagarchief: Moraal

Geweten

Geweten is weten.

Geweten is duidelijk, geweten is simpel. Geweten is helderheid. Geweten verlicht, geweten geeft kracht. Geweten is doen wat te doen staat, zonder dat angst of andere bijzaken daarvan weerhouden. Dat maakt geweten eenvoudig, snel en efficiënt. Hierdoor is geweten primair en wezenlijk; goed te begrijpen en voor iedereen toegankelijk. Bij mijn weten is geweten een basisbehoefte die ieder in huis heeft.

Geweten is meer dan wroeging. Wroeging verzwakt. Wroeging is in feite geweten dat zich heeft laten verzieken. Geweten ligt niet in de weg, het is datgene dat de weg wijst. Als geweten in de weg lijkt te liggen, zal ofwel niet het echte geweten zijn, ofwel niet het juiste pad. Gelukkig weet het ware geweten waar men heen moet.

Geweten is onze grote vriend: het is geweldig precies te weten wat te doen of we zouden moeten doen. De rest volgt vanzelf.

Geweten is hulp. Hulp bij de uitvoering van onze ideeën, bij de verwerkelijking van onze moraal. Daardoor is geweten zowel verlichtend als aardend. Vaak laat geweten ons anderen helpen, uiterlijk altruïstisch. Maar omdat wij hierbij onze eigen normen volgen, dient het vooral onszelf.

Geweten is de kern, de stam waaruit onze denkbeelden groeien en de basis voor belangrijke beslissingen.

Wij moeten hierom niet bang zijn moraalridders te worden bevonden. Te vaak worden concessies gedaan om maar niet als Prinzipienreiter te boek te staan. Dat is zonde; door ons geweten weg te drukken, drukken wij ook onszelf weg. Daarvoor zijn wij te waardevol.

Laten wij het respect voor ons geweten en daarmee onze eigenwaarde, ons richtingsgevoel en onze bron van kracht in ere herstellen.

Heil Tyr.

 

                                                                                                                                                            Etje, 2004

Op zoek naar een heidense ethiek…

©Aswulf, 2001

"Een wereldbeschouwing bestaat uit twee componenten. Aan de ene kant is er een intellectueel aspect: hoe zit het heelal in elkaar? Hoe is het menselijk leven ontstaan? Wat is de relatie van mens tot dier en tot de omringende natuur? Hoe verhoudt de mens zich tot de gemeenschap waarin hij leeft? Aan de andere kant is er een existentiële component: welke levenshouding moeten we kiezen? Welke moraal moeten we aanvaarden? Welke maatschappijvorm staan we voor? Hoe zin te geven aan ons leven?"

Dit citaat uit het ‘Atheïstisch Manifest' van Herman Philipse zette mij aan het denken. Als heiden1 heb ik een duidelijk beeld van het intellectuele aspect, ook al is dit beeld soms dubbel. Ik zal de wetenschappelijke verklaringen niet tegenspreken, maar mijn wereldvisie wordt mede gekleurd door de rijke symboliek van onze mythologie. Uiteraard denk ik ook antwoord te hebben op de existentiële vragen. Maar is er echt sprake van een heidense moraal? Bestaat er zoiets als een heidense ethiek? Of heb ik slechts de prevalerende christelijke normen en waarden overgenomen?

ETHIEK EN MORAAL

Om te beginnen wil ik duidelijkheid in de terminologie verschaffen. Normen en waarden zijn de algemeen geaccepteerde ideeën en gedragingen die binnen een categorie van personen heersen en waarnaar zij zich kunnen of moeten richten. De term moraal wordt gebruikt om de voorstellingen van goed en kwaad van een groep of een individu aan te duiden. Ethiek, daarentegen, is een tak van de wijsbegeerte die handelt over de zedelijke begrippen en gedragingen. De ethiek bestudeert dus die moraal, en stelt er vragen over, zoals wat de betekenis is van goed en kwaad. Verder probeert de ethiek naar richtlijnen of oriëntatiepunten te zoeken voor het beantwoorden van de vraag ‘hoe leef ik goed?'. Want om deze vraag draait het uiteindelijk.

GOED EN KWAAD

In de meest simpele vorm gaat ethiek over het beantwoorden van de vraag: wat is goed en wat is kwaad? De meeste mensen hebben een natuurlijke besef hiervan: het is kwaad te moorden en te stelen, het is goed je buurman te helpen. Goed en kwaad zijn ook cultureel gebonden; in Amerika is het goed zoveel mogelijk geld te verdienen, voor de aboriginals is het goed de liederen van hun voorouders te zingen. Maar wat betekent goed en kwaad eigenlijk voor mij als hedendaagse heiden?

Laten we eerst onderzoeken wat deze begrippen voor onze verre voorouders betekenden. Volgens de Oxford English Dictionary, stamt goed van het Proto-Germaans *god-, "samenbrengen, zich verenigen". The American Heritage Dictionary geeft als etymologie het Proto-Germaans *gódanaz, afgeleid van het Proto-Indo-Europees *ghedh-, "zich verenigen, deelnemen, passen". De oorspronkelijke betekenis van het woord zou dan misschien kunnen luiden: "hetgeen wat passend is voor de gemeenschap." Het woord kwaad kunnen wij echter niet terugvinden in de oude Germaanse talen. Dit woord stamt af van het Oud Hoogduits quât, met als mogelijke betekenis "vuil", en heeft misschien een verband met het Litouws gěda "schande, oneer" volgens J. de Vries. Het huidige woord euvel, nauw verwant met het engelse evil, stamt van het Proto-Germaans *ubilaz, "overschrijden van gepaste grenzen", zelf afgeleid van het Proto-Indo-Europees *upo-, "van onderen op". Dit beknopte etymologische overzicht maakt mijn inziens duidelijk dat de begrippen goed en kwaad nauw samenhingen met de Germaanse sociale structuur, en met name met de grens tussen de gemeenschap, de inanngarðs (letterlijk "binnen de omheining") en de wildernis daarbuiten, de útangarðs ("buiten de omheining")2 . In zekere zin kunnen we zeggen dat goed zijn bron in de gemeenschap vindt, datgene wat de gemeenschap versterkt en orde geeft. Kwaad daarentegen is hetgeen wat de samenleving bedreigt, de wanorde die er buiten heerst.

WET EN RECHT

Nauw verbonden met het concept goed zijn de concepten recht en wet. Recht wordt vaak gebruikt als synoniem voor goed, evenals wet en recht bijna synoniem van elkaar zijn. Etymologisch wordt wet afgeleid van het gotisch witan ‘zien, waarnemen', en onder de oorspronkelijke betekenissen van recht vinden wij ‘in een rechte lijn bewegen', maar ook ‘richten, besturen'. De wet is dan hetgeen wat ‘waargenomen', of beter, in acht genomen moet worden om het goed van de gemeenschap te waarborgen. Recht vormt de richtlijn, de ‘rechte lijn' die het individu moet volgen om de wet in acht te nemen. Of met andere woorden, de wet vormt de omheining die het goed (of de inanngarðs) van de wildernis scheidt, en recht is de maatstaf die het mogelijk maakt individuele handelingen te beoordelen.3

Net als in onze huidige samenleving, speelden wet en rechtspraak een belangrijke rol voor onze voorouders. Dit wordt telkens bevestigd, zowel in de vroege schriftelijke bronnen waaronder de Germania van Tacitus, als in de veel later opgetekende IJslandse saga's. Opmerkelijk genoeg bestond voor de Germaanse volkeren geen onderscheid tussen wetten en gebruiken. Sterker nog, het oud-Friese woord ewa betekende niet alleen ‘wet' en ‘gebruik', maar ook ‘religie'. De scheiding tussen het alledaagse en het heilige4 was voor hen ondenkbaar, ze waren onlosmakelijk met elkaar verweven. Het in acht nemen van de wetten garandeerde niet alleen de sociale harmonie, maar ook de kosmische orde.

WETTEN, OERLAGEN, EN HET LOT

Centraal in de wereldvisie van onze voorouders staat de wereldboom Yggdrasil, een boom zo groot dat de negen werelden van goden, mensen en andere wezens zich erin bevinden. Onder een van de wortels van deze boom ligt de bron van Urdr, en met het water uit deze bron zorgen de Nornen voor de boom. Dit water is zo heilig dat de takken en bladeren niet afsterven en verrotten, maar groen blijven.

Maar wie zijn deze Nornen, en wat is hun functie? Het zijn de Germaanse lotsgodinnen, de drie godinnen Urdr, Verdande en Skuld. Hun namen worden vaak vertaald als ‘Verleden', ‘Heden', en ‘Toekomst', maar een meer geschikte vertaling luidt ‘Wat is geworden', ‘Wat in wording is', en ‘Wat zal/moet worden'. Buiten hun functie Yggdrasil te verzorgen, wordt er van hen gezegd dat zij ‘leven kiezen voor de mensenzonen' (líf kjósa), dat zij ‘wetten maken' (lög leggja), en dat zij ‘het lot spreken (of schrijven) (ørlög segja)'. Deze taken kunnen we zien als verschillende aspecten van een fundamentele functie: zorgen voor de structurele integriteit van de kosmos zoals vertegenwoordigd door het beeld van de wereldboom. We kunnen zelfs zeggen dat ‘wetten maken' of ‘lot spreken' gelijk staat aan het verzorgen van de boom.

Het moge duidelijk zijn dat deze twee begrippen bijzonder belangrijk zijn in de Germaanse samenleving. Om deze concepten beter te begrijpen, is het zinvol om de Oudnoorse termen ervoor toe te lichten. De algemeen geaccepteerde betekenis van lög leggja is ‘wetten maken', maar de letterlijke betekenis van deze uitdrukking is ‘het neerleggen (of plaatsen) van lagen'. Het zelfde idee van lagen vinden we terug in de Oudnoorse uitdrukking ørlög segja die letterlijk ‘de oerwetten (of oerlagen) uitspreken' betekent. Voor onze voorouders vloeide de wet voort uit het verleden, uit de geaccumuleerde lagen van gebruiken, eerdere rechtspraken en gewoonterecht5 . Het lot vindt eveneens zijn oorsprong in het verleden, maar dan uit de gebruiken, zeden en daden van het individu, de sibbe, en de hele stam. Het lot is de oerwet die de kosmische orde bindt, de eerste, oorspronkelijke en belangrijkste wet.

HET LOT EN INDIVIDUELE VERANTWOORDELIJKHEID

In de heidense wereldvisie speelt het lot een belangrijke rol. In de saga's komt het thema van het lot zo vaak voor dat ik het als een van de meest centrale concepten van Asatru beschouw. Maar wat houdt dit concept eigenlijk in?

Tijd wordt meestal beschouwd als bestaande uit drie onafhankelijke delen: het heden, het verleden en de toekomst. Voor de Germanen bestond het begrip ‘toekomst' echter niet als zodanig. Voor hen was de toekomst onlosmakelijk verbonden met het heden en het verleden, een constant ‘in wording zijn' van hetgeen reeds in het heden en verleden aanwezig was. Deze beschouwing is heden ten dage nog in onze taal terug te vinden: in tegenstelling tot de Romaanse talen moeten we gebruik maken van hulpwerkwoorden om de toekomstige tijd van werkwoorden te vormen. De toekomst wordt dus bepaald door wat vooraf ging, de oerlagen of örløg. In de saga's komen wij dit woord vaak tegen, meestal in een zeer fatalistische samenhang: geen mens kan aan zijn örløg ontkomen.

Hierdoor zou men gauw kunnen denken dat deze wereldvisie zeer deterministisch is; dat wil zeggen dat alles wat gebeurt vooraf bepaald is. Het logische gevolg hiervan is dat de mens geen keuzevrijheid kent, en dus geen verantwoording voor zijn daden hoeft af te leggen. Maar niets is minder waar. De oerlagen zijn namelijk niet statisch, zij worden constant aangevuld door onze woorden en daden in het heden. Om een analogie te gebruiken: het bestaan van een mens kan met een boom vergeleken worden. De wortels van de boom liggen in de oerlagen; de stam en de takken zijn in het verleden ontstaan. De bladeren en twijgjes bestaan in het heden, maar zijn afhankelijk van de rest van de boom. Zij zorgen ervoor dat dauw en regen terug naar de wortels gevoerd worden, en als zij eraf vallen verrijken zij de aarde die de wortels voedt. Deze voeding wordt vervolgens door de boom opgenomen om nieuwe bladeren, twijgjes en vruchten voort te brengen.

Een beeld dat vaak terugkomt in de Germaanse dichtkunst als over het lot gesproken wordt is weven. De schering (verticale draden van het weefwerk) vormt het kader, de context waarin een leven zich afspeelt – de oerlagen in de breedste zin van het woord. De inslag (horizontale draden) zijn de lagen van het verleden: reeds gesproken woorden en daden die een mens al verricht heeft. Handelingen en keuzes in het heden voegen telkens weer een nieuwe draad aan het weefwerk toe. Deze nieuwe draden zullen nooit de reeds ingeweven draden kunnen veranderen, maar het resulterende patroon ligt nooit vast. Nieuwe motieven kunnen aan het weefwerk toegevoegd worden; een reeds begonnen motief kan ingrijpend veranderen door gebruik van andere kleuren.

Het fundamentele terugkerende element in deze analogieën voor het lot is de wisselwerking tussen de mens en zijn oerlagen. De mens kan zijn lot beïnvloeden, hij ondergaat het niet passief. En voor mij is het gevolg hiervan dat de mens mede verantwoordelijk is voor zijn lot. Het patroon van de oerlagen kan weliswaar zo sterk zijn dat het bijna niet te beïnvloeden valt (denk bijvoorbeeld aan een honderd jaar oude boom die verplaatst moet worden ), toch heeft de mens de keuze over hoe hij met zijn lot omgaat. En misschien moeten wij de uitdrukking ‘geen mens kan aan zijn örløg ontkomen' als volgt lezen: "Ik ben voor mijn lot verantwoordelijk; zelfs als ik er niets aan kan veranderen, kan ik in ieder geval het beste ervan maken!"

SOCIALE MORAAL EN GEZOND VERSTAND

Goed en kwaad, zeden en gewoonten, wet en recht, het lot… een heel systeem van onderling verbonden concepten die, mijn inziens, de basis vormden voor de morele opvattingen van de Germaanse stammen. Het waren de bouwstenen van hun samenleving, de materialen waarmee de gemeenschap, de inanngarðs, gebouwd was. En ook al had de boer op zijn akker misschien geen bewust besef van deze theoretische concepten, zijn hele levenswijze was er van doordrongen. De moraal van onze voorouders was voornamelijk een sociale moraal die de cohesie van hun gemeenschap garandeerde.

In tegenstelling tot andere culturen bestaan er geen handschriften waarin de Germaanse morele opvattingen staan opgetekend. Wel is een aantal gedichten bewaard gebleven waarin wij sporen van hun morele gedachtegoed kunnen terugvinden. Het voornaamste voorbeeld hiervan is de Hávamál, waarin een reeks goede raadgevingen te lezen is die wij vandaag de dag nog ter harte kunnen nemen. Het is geen lijst van geboden, maar het zijn vernuftige adviezen die blijk geven van gezond verstand.

"Geen betere last draagt een man op zijn pad
dan een gezond stel hersens
in een vreemd land is dat beter dan rijkdom
het biedt een arme drommel zelfs onderdak."6

Kenmerkend voor deze raadgevingen en adviezen is hun uiterst pragmatische karakter, een element dat ook regelmatig in de saga's opduikt. In mijn ogen zijn dit pragmatische karakter, samen met de belangrijke plaats die het lotsbesef inneemt, de twee meest typerende kenmerken van de moraal van onze voorouders. En misschien moeten we juist in deze twee elementen de sleutel voor een moderne heidense ethiek zoeken.

PRAGMATISCHE ETHIEK

Een in mijn ogen zeer interessant stuk voor Asatru is het essay "Pragmatic Ethics" door Hugh LaFollette. Zijn benadering van het vraagstuk moraal en ethiek vertoont op vele punten overeenkomsten met de heidense gedachtegang zoals ik die hierboven geschetst heb.

Deze schrijver ziet moraal als een gewoonte, te vergelijken met bijvoorbeeld lopen. Als we als kleine kinderen leren lopen, zijn we daar zeer bewust mee bezig, en is onze geest daar helemaal op gericht. Daarna schenken we er geen aandacht meer aan, tenzij we door omstandigheden gedwongen worden opnieuw te leren lopen. Denken is ook zo'n gewoonte. Het is een ingewikkeld proces, en ook al realiseren we ons dat niet, het kost tijd en moeite om te leren denken. Wanneer deze processen eenmaal geleerd zijn, vormen ze deel van onze dagelijkse, onbewuste, activiteiten.

Maar gewoontes ontstaan niet zomaar. In zekere zin kunnen we zeggen dat gewoontes het verleden naar het heden overdragen. Ze zijn het product van verschillende factoren, zoals bijvoorbeeld de sociale omgeving of ervaringen in het verleden. Dit betekent niet dat wij geen controle over onze gewoontes hebben. In tegendeel, we zijn voor onze gewoontes verantwoordelijk: we kunnen onze gewoontes veranderen, of nieuwe gewoontes leren. Uiteraard gaat dit niet vanzelf, bewuste keuzes en corresponderende actie zijn vereist om dit te bereiken.

In deze context kunnen we ook het moraalbesef als een gewoonte zien. Meestal nemen we beslissingen op het moment zelf, zonder bewust de ethische implicaties ervan te overwegen. Als iemand in de bus opstaat om zijn plaats aan een slecht-ter-been persoon af te staan, gaat hij niet eerst peinzen of dit een ethisch juiste beslissing is. Het is een spontane, voor hem normale reactie op de situatie. Als je hem zou vragen waarom, zal hij waarschijnlijk antwoorden "Dat doe je gewoon, zo hoort het." Met andere woorden, het is voor hem een gewoonte.

Morele gewoontes moeten wij niet zien als simpele, alleenstaande handelingen, maar eerder als een georganiseerde serie van verschillende processen die tot een bepaalde handeling leiden. Deze gewoontes worden sterk beïnvloed door het verleden, met name door de sociale en culturele omgeving. Maar net als voor andere gewoontes, zijn we uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor ons moraalbesef. Volgens LaFollette, betekent dit dat we constant onze morele opvattingen zouden moeten evalueren en, indien nodig, herzien. Waar de consequenties van een morele beslissing niet overeenkomen met het beoogde resultaat, kunnen we het onderliggende moraalbesef van het beslissingsproces in twijfel trekken. En als de omstandigheden veranderen, dient de vraag zich aan of onze morele gewoontes ook niet aangepast moeten worden.

Pragmatische ethiek is niet gebaseerd op een lijst van absolute morele standaarden, gedicteerd door een almachtige en alwetende god, zoals wij dat kennen van de grote monotheïstische godsdiensten. Pragmatische ethiek legt de verantwoordelijkheid voor moraalbesef bij het individu, en erkent en respecteert de verschillen tussen mensen, culturen en omstandigheden. Morele vooruitgang ontstaat door ervaring en discussie, niet door proclamaties van hoger hand.

HET LOT EN ETHIEK

Ik zie een grote overeenkomst tussen de pragmatische ethiek zoals geformuleerd door Hugh LaFollette en het principe van het lot zoals ik het hierboven beschreven heb. Met name het concept van gewoontes wordt weerspiegeld in, en aangevuld door, het Germaanse lotsbesef. Dit zijn dan ook naar mijn mening de pijlers van een heidense ethiek.

Het lot is een van de meest fundamentele krachten die ons leven beïnvloedt en vorm geeft. Diverse elementen, zoals de sociale en culturele omgeving, erfelijkheid, keuzes en daden in het verleden, maken deel uit van de oerlagen van een individu. Deze oerlagen kunnen wij vergelijken met het patroon dat reeds op een weefgetouw geweven is: ze kunnen niet veranderd worden, en ze bepalen gedeeltelijk hoe de rest van het patroon eruit gaat zien. Het individu blijft echter, in mijn ogen, mede verantwoordelijk voor zijn lot. Door zijn acties en keuzes kan hij namelijk veranderingen in zijn lot brengen.

Moraal maakt ook in zekere zin deel uit van de oerlagen. Het moraalbesef van een individu zal zijn woorden en daden kleuren, en dit zal natuurlijkerwijs van invloed op diens lot zijn. Stel dat een werknemer beschuldigd wordt van grove nalatigheid. Deze werknemer staat bovendien bekend als iemand die regelmatig liegt over kleine dingen. Vanwege zijn leugenachtige verleden, zijn oerlagen, loopt hij het risico dat er weinig waarde aan zijn uitspraken wordt gehecht, met als gevolg dat zijn carrière stagneert.

Het is bijna onmogelijk te voorspellen wat voor invloed het moraalbesef van een persoon op diens lot kan hebben. Sommige woorden en daden lijken triviaal, terwijl ze verregaande consequenties kunnen hebben, en andersom. Meestal is het pas achteraf mogelijk te zeggen wat de gevolgen van een keuze waren, en aan die keuze kunnen we uiteraard niets meer veranderen. Wel kunnen we leren van het verleden, en zorgen dat we in een soortgelijke situatie een betere beslissing nemen. Als een in mijn ogen ‘verkeerde' beslissing het gevolg van mijn moraal is, is het mijn verantwoording om die moraal aan de kaak te stellen, en desnoods aan te passen.

Maar een mens leeft niet in een vacuüm: zijn acties en handelingen zijn in constante interactie met de rest van zijn omgeving. Sterker nog, het individu heeft niet alleen invloed op zijn eigen oerlagen, maar ook op de oerlagen van het grotere geheel. Zo kunnen bijvoorbeeld de keuzes van een ouder het leven van een kind beïnvloeden, of de acties van een kleine groep milieuactivisten het nationale bewustzijn veranderen. Een beeld om deze interactie weer te geven is dat van een spinnenweb. Elk punt van het web is verbonden met alle andere punten, ook al is de relatie tussen twee punten niet altijd even duidelijk te traceren. En als wij een punt van het web in beweging brengen, door bijvoorbeeld erop te blazen, trilt het gehele web mee. Met andere woorden: onze keuzes en daden hebben niet alleen consequenties voor onszelf, maar (in meer of mindere mate) voor alles om ons heen.

Heidense moraal en lotsbesef zijn in mijn ogen niet van elkaar te scheiden. De oerlagen, die ook mijn morele standaarden en mijn normen en waarden omvatten, hebben een invloed op mijn keuzes. Maar ik, en niemand anders, draag uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor de gevolgen ervan, en dus ben ik moreel verplicht om over de mogelijke gevolgen van mijn daden na te denken. Zoals onze voorouders het zouden zeggen: ‘þu bist þin dæda'. Je bent je eigen daden.

  1. In dit artikel gebruik ik de termen ‘heiden' en ‘heidens' als synoniem voor Asatru…<terug>
  2. Een soortgelijke tegenstelling vinden wij ook terug in de Noordse kosmologie. Utgard is de chaotische wereld van reuzen en trollen, wreed en vijandelijk. Binnen de omheining bevinden zich Midgard en Asgard, de werelden van mensen en goden.<terug>
  3. Voor een uitvoerige discussie over deze concepten en hun onderlinge verwantschap, zie Eric Wodening: We are our Deeds.<terug>
  4. Het woord ‘heilig' vindt zijn oorsprong in het proto-Indo-Europees *kailo-, ‘ongedeerd, heel'.<terug>
  5. In IJsland, bijvoorbeeld, moest de wetspreker elk jaar één derde van de wetten opsommen. Als een wet drie keer achter elkaar vergeten of overgeslagen werd, kwam die te vervallen. Het was dus duidelijk in het belang van de gemeenschap om de wetten te onthouden en ‘onderhouden'.<terug>
  6. Lied Edda, Hávamál 10 – vertaling Marcel Otten. <terug>

Bronnen

  • Atheïstisch Manifest – Herman Philipse
    Prometheus, Amsterdam 1998
  • Introduction to Philosophy, A christian perspective – Norman L. Geisler & Paul D. Feinberg
    Baker Book House, Grand Rapids, Michigan 1997
  • Metaphysics – Richard Taylor
    Prentice Hall, New Jersey 1992
  • Etymologisch woordenboek – J. de Vries & F. de Tollenaere
    Het Spectrum, Utrecht 1997
  • Germania – Tacitus, vertaling van J. W. Meijer
    Ambo 1992
  • The Viking Achievement – Peter Foote & David M. Wilson
    Book Club Associates, Londen 1974
  • Vikingernes Verden – Else Roesdahl
    Gyldendal, Kopenhagen 1989
  • The Well and the Tree – Paul Bauschatz
    The University of Massachusetts Press, Amherst 1982
  • We Are Our Deeds – Eric Wódening
    Theod, Watertown New York 1998
  • Ethical Theory – Hugh LaFollette
    Blackwell, Oxford 2000
    http://www.stpt.usf.edu/hhl/papers/pragmati.htm
  • Teutonic Heathenry and Deweyan Ethics: Are They Compatible? – Terry A. Coker
    Theod Magazine, Watertown New York 1997
  • What is Wyrd? – Arlea Æðelwyrd Hunt-Anschütz
    http://www.wyrdwords.vispa.com/heathenry/whatwyrd.html