Tagarchief: Musea

Bisjpalen

Voor vele volkeren (of in vele geloven) spelen de voorouders een belangrijke rol. Zij zijn aanwezig en kunnen invloed uitoefenen op ons leven. Daarom moet je er iets mee -je moet ze een plaats geven in je leven.

Voor asatruers kan dat gebeuren door ze te gedenken, door een hoorn met  bier of mede ter hunner eer te heffen of door hen  offers te brengen. Zelf bijvoorbeeld vind ik het heel prettig om tijdens een wandeling even te pauzeren bij of op een grafheuvel. Ik vind het prettige plaatsen en zelfs als ik niets specifiek ritueels doe, of niets wat specifiek op de voorouders betrekking heeft, zal ik toch altijd een offer achterlaten voor de voorouders en de geesten van de betreffende grafheuvel, meestal in de vorm van een deel van het eten en drinken wat ik heb meegenomen. Dit is natuurlijk maar een van de vele manieren.

Op zoek naar een museum om naar toe te gaan, kwamen wij (Etje en Stilleward) op een tentoonstelling van het Tropenmuseum in Amsterdam. Deze tentoonstelling had als onderwerp 'bisjpalen'.

 

Bisjpalen is een gebruik van het Asmatgebied in Papua Nieuw Guinea. De Asmat gaan er vanuit dat een overlijden meestal het gevolg is van kwade geesten en dat door zo'n overlijden de balans verstoord wordt. Één van de gevolgen is dat de geesten van de overledenen niet naar Safan, de geestenwererld, kunnen. De balans moet dus hersteld worden.

Hiervoor is het bisjritueel. Een groep mannen gaat het woud in en velt daar een wilde nootmuskaatboom. Deze boom wordt dan mee terug genomen naar het dorp (wat overigens eerst ritueel veroverd moet worden op de vrouwen die zijn achtergebleven). Die nootmuskaatboom wordt dan helemaal bewerkt met afbeeldingen van de gestorvenen. Grappig detail is dat de boom omgekeerd gebruikt wordt, in de zin dat de top uiteindelijk in de grond gezet wordt en dat de onderkant van de stam de bovenkant van de paal wordt. Een van de wortels wordt bewerkt tot een soort vaandel wat fier schuin omhoog steekt (de naam voor dit deel van de bisjpaal is 'tsjemen', wat letterlijk 'penis' betekent, en ook uit de afbeeldingen van de mensen blijkt een verfrissend gebrek aan preutsheid). Als de bisjpaal klaar is, wordt deze neergezet. Uit het vellen van de boom en het maken van de bisjpaal wordt veel kracht gehaald en als de paal en daarmee het bisjritueel voltooid zijn, is de balans hersteld en kunnen de geesten alsnog naar Safan.

Het is nog de moeite van het vermelden waard dat een van de onderdelen van bisjritueel het koppensnellen was, dus dat je vrolijk (of dan toch in elk geval strijdlustig) naar een rivaliserend dorp trok, daar een aantal mensen over de kling joeg en hun hoofden -en daarmee hun kracht- mee terug voerde naar je eigen dorp. Het feit dat dat dorp dan vervolgens ook weer de balans moet herstellen en weer op wraaktocht naar je eigen dorp ging, zorgde ervoor dat je je de komende generaties in elk geval niet hoefde te vervelen. Het koppensnellen is overigens , alweer geruime tijd verboden, iets wat door een deel van de bevolking stiekem misschien nog wel steeds betreurd wordt.

Terug naar de tentoonstelling. Het Tropenmuseum had voor deze tentoonstelling een deel van de hal helemaal afgesloten met grote doeken, zodat je echt een apart deel had voor het woud van bisjpalen. Door de dimme belichting en de muziek -een mengeling van oerwoudgeluiden, ritueel gezang en ook deels geluiden van de beelden van het vervaardigen van een bisjpaal, geprojecteerd op het doek- zorgden ervoor dat Safan toch wat dichterbij leek te komen. Met hun hoogte van soms elf tot twaalf meter zijn de bisjpalen van zichzelf ook al bepaald indrukwekkend en het is goed te zien hoeveel tijd er in het maken van zo'n paal werd gestoken (het bisjritueel duurt ongeveer zes weken).

Het Tropenmuseum promoot de tentoonstelling onder andere met de inschatting dat dit misschien wel de enige keer is in Nederland dat er zoveel bisjpalen bij elkaar te zien zijn. Dat wordt echter meteen weer gerelateerd door een uitspraak van een van de onderzoekers wier werk ten grondslag ligt aan de tentoonstelling.

"De Asmat bewaren de beelden in hun hoofd, wij stoppen ze in musea."

 

Op de site van het Tropenmuseum (www.tropenmuseum.nl) is meer informatie te vinden over de tentoonstelling zelf.

“Quinctili Vare, legiones redde!”

Deze kreet ("Varus, geef me mijn legioenen terug!") werd aan de Romeinse keizer Augustus ontlokt toen hij het nieuws hoorde dat een Quinctilius Varus drie legioenen in de pan had laten hakken in het Teutoburgerwoud. Zoals een Duitser zei: “Maar goed ook, anders hadden we nu misschien allemaal wel Latijn gesproken.”. Wie weet.

Lang was het onbekend waar precies de beruchte veldslag had plaatsgevonden. Vele plaatsen werden onderzocht, maar afgeschreven. Ondertussen is men het er redelijk over eens dat deze heeft plaats gevonden in de omgeving van Kalkriese, een verder onaanzienlijk dorp in Duitsland.

Als enthousiast heiden moet je die plaats eigenlijk toch minstens één keer gezien hebben. De Negen Werelden, op terugreis uit Denemarken, kwam zo dicht langs die plek dat we het natuurlijk niet konden laten om te gaan kijken.

Een betere timing bleek haast niet mogelijk, want bij het museum werd precies die dag de tweede van twee ‘Römertage’, Romeinse Dagen, gehouden. Op het terrein om het museum waren een Romeins en Germaans kamp opgebouwd, waar krijgers en ambachtslieden moed, kunde en waren tentoon konden stellen. Huiden, hoorns, mede!, maar ook sieraden en aardewerk boden mensen de gelegenheid om een stukje sfeer mee naar huis te nemen. Daarnaast waren er demonstraties, waarbij vooral de ruiters een voortreffelijk stukje werk lieten zien. Als je ziet wat toegewijde liefhebbers al voor elkaar krijgen – en dat was echt niet misselijk! – dan krijg je toch ineens wel een heel accuut beeld van wat de geoefende troepen in die tijd voor elkaar moeten hebben gekregen.

Het museum zelf vertelt het verhaal van de ontdekking aan de hand van anecdotes, alsof je een blik krijgt in een verslag zoals dat van dag tot dag werd bijgehouden, of misschien wel een dagboek. Het geeft een bijna tastbaar beeld hoe Kalkriese als plaats van de ‘Varusslagt’ in beeld is gekomen. Het verhaal wordt ondersteund door hapklare informatie over niet alleen de vele vondsten, maar ook de wetenschap en archeologie die daaraan ten grondslag liggen.

Toch stemt het ook tot nadenken, als je ziet dat een plek waar in elk geval tien- tot twintigduizend man, misschien nog wel meer, zijn gevallen, zolang onbekend is gebleven. Of dat één van de redenen dat men de plek kon herkennen, was dat er zo ontzettend veel botten in de grond hadden gezeten dat de chemische samenstelling van de bodem merkbaar anders was. Het kan geen kwaad om af en toe eens bij dat soort dingen stil te staan.

Ondanks deze toch wat zwaarmoedige gedachte was het een uitstapje dat door de onverwachte bonus van de ‘Römertage’ dubbel en dwars de moeite waard was. En dan vergat ik bijna nog te melden dat de mede erg lekker was!